Deuteronomium 3:2
“Maar de HEER zeide tot mij: Vrees hem niet, want Ik heb hem, en zijn ganse volk, en zijn land in uw hand gegeven; en gij zult hem doen, gelijk gij gedaan hebt aan Sihon, koning der Amorieten, die te Hesbon woonde.”
Kruisverwijzingen
Context
Deuteronomium 3 — omringende verzen
Toen keerden wij ons en trokken op, den weg naar Basan; en Og, koning van Basan, trok uit ons tegemoet, hij en zijn ganse volk, tot den strijd bij Edreï.
Maar de HEER zeide tot mij: Vrees hem niet, want Ik heb hem, en zijn ganse volk, en zijn land in uw hand gegeven; en gij zult hem doen, gelijk gij gedaan hebt aan Sihon, koning der Amorieten, die te Hesbon woonde.
Alzo gaf de HEER, onze God, ook Og, koning van Basan, en zijn ganse volk, in onze hand; en wij sloegen hem, totdat hem niemand overbleef.
4En wij namen te dier tijd al zijn steden in; er was geen stad, die wij van hen niet innamen: zestig steden, de ganse landstreek Argob, het koninkrijk van Og in Basan.
5Al deze steden waren versterkt met hoge muren, poorten en grendels, behalve zeer vele onbemuurde steden.
6En wij verbanden hen, gelijk wij aan Sihon, koning van Hesbon, gedaan hadden; wij verbanden alle steden, mannen, vrouwen en kinderkens.
7Maar al het vee en den buit der steden roofden wij voor ons.