Deuteronomium 3:5
“Al deze steden waren versterkt met hoge muren, poorten en grendels, behalve zeer vele onbemuurde steden.”
Kruisverwijzingen
Context
Deuteronomium 3 — omringende verzen
Toen keerden wij ons en trokken op, den weg naar Basan; en Og, koning van Basan, trok uit ons tegemoet, hij en zijn ganse volk, tot den strijd bij Edreï.
2Maar de HEER zeide tot mij: Vrees hem niet, want Ik heb hem, en zijn ganse volk, en zijn land in uw hand gegeven; en gij zult hem doen, gelijk gij gedaan hebt aan Sihon, koning der Amorieten, die te Hesbon woonde.
3Alzo gaf de HEER, onze God, ook Og, koning van Basan, en zijn ganse volk, in onze hand; en wij sloegen hem, totdat hem niemand overbleef.
4En wij namen te dier tijd al zijn steden in; er was geen stad, die wij van hen niet innamen: zestig steden, de ganse landstreek Argob, het koninkrijk van Og in Basan.
Al deze steden waren versterkt met hoge muren, poorten en grendels, behalve zeer vele onbemuurde steden.
En wij verbanden hen, gelijk wij aan Sihon, koning van Hesbon, gedaan hadden; wij verbanden alle steden, mannen, vrouwen en kinderkens.
7Maar al het vee en den buit der steden roofden wij voor ons.
8Alzo namen wij te dier tijd het land uit de hand van de twee koningen der Amorieten, dat op deze zijde van de Jordaan was, van de beek Arnon af tot aan den berg Hermon toe,
9(De Sidoniërs noemen den Hermon Sirjon, en de Amorieten noemen hem Senir),
10Alle steden des vlakken lands, en gans Gilead, en gans Basan, tot Salcha en Edreï toe, steden van het koninkrijk van Og in Basan.