Deuteronomium 3:9
“(De Sidoniërs noemen den Hermon Sirjon, en de Amorieten noemen hem Senir),”
Kruisverwijzingen
Context
Deuteronomium 3 — omringende verzen
En wij namen te dier tijd al zijn steden in; er was geen stad, die wij van hen niet innamen: zestig steden, de ganse landstreek Argob, het koninkrijk van Og in Basan.
5Al deze steden waren versterkt met hoge muren, poorten en grendels, behalve zeer vele onbemuurde steden.
6En wij verbanden hen, gelijk wij aan Sihon, koning van Hesbon, gedaan hadden; wij verbanden alle steden, mannen, vrouwen en kinderkens.
7Maar al het vee en den buit der steden roofden wij voor ons.
8Alzo namen wij te dier tijd het land uit de hand van de twee koningen der Amorieten, dat op deze zijde van de Jordaan was, van de beek Arnon af tot aan den berg Hermon toe,
(De Sidoniërs noemen den Hermon Sirjon, en de Amorieten noemen hem Senir),
Alle steden des vlakken lands, en gans Gilead, en gans Basan, tot Salcha en Edreï toe, steden van het koninkrijk van Og in Basan.
11Want alleen Og, koning van Basan, was overgebleven van het overblijfsel der reuzen; zie, zijn bedstede was een bedstede van ijzer; is zij niet te Rabba der kinderen van Ammon? Negen ellen was haar lengte, en vier ellen haar breedte, naar eens mans elleboog.
12Dit land nu namen wij te dier tijd in bezit. Van Aroër af, dat aan de beek Arnon is, en de helft van het gebergte Gilead, met zijn steden, gaf ik aan de Rubenieten en aan de Gadieten.
13En het overige van Gilead, en gans Basan, het koninkrijk van Og, gaf ik aan den halven stam van Manasse, de ganse landstreek Argob; gans Basan werd genoemd het land der reuzen.
14Jaïr, de zoon van Manasse, nam de ganse landstreek Argob in, tot aan de landpale der Gesurieten en der Maächatieten, en noemde ze naar zijn naam, Basan-Havvoth-Jaïr, tot op dezen dag.