Deuteronomium 3:25
“Laat mij toch overtrekken en het goede land zien, dat aan gene zijde van de Jordaan is, dit goede gebergte, en den Libanon.”
Kruisverwijzingen
Context
Deuteronomium 3 — omringende verzen
Totdat de HEER uw broederen rust geeft, gelijk u, en zij ook het land bezitten, dat de HEER, uw God, hun geven zal aan gene zijde van de Jordaan; dan zult gij wederkeren, een ieder tot zijn bezitting, die ik u gegeven heb.
21Ook gebood ik Jozua te dier tijd, zeggende: Uw ogen hebben gezien al wat de HEER, uw God, deze twee koningen gedaan heeft; alzo zal de HEER doen aan alle koninkrijken, waarheen gij doortrekt.
22Gij zult hen niet vrezen, want de HEER, uw God, Die zal voor u strijden.
23En ik bad vuriglijk tot den HEER ter zelfder tijd, zeggende:
24Heere HEER, Gij hebt begonnen Uw knecht te tonen Uw grootheid en Uw sterke hand; want wat God is er in den hemel en op de aarde, die doen kan naar Uw werken en naar Uw mogendheden?
Laat mij toch overtrekken en het goede land zien, dat aan gene zijde van de Jordaan is, dit goede gebergte, en den Libanon.
Maar de HEER was op mij zeer toornig om uwentwil, en Hij verhoorde mij niet; en de HEER zeide tot mij: Het is u genoeg; spreek tot Mij niet meer van deze zaak.
27Klim op de hoogte van Pisga, en hef uw ogen op naar het westen, en naar het noorden, en naar het zuiden, en naar het oosten, en zie het met uw ogen aan; want gij zult niet over deze Jordaan gaan.
28Maar gebied Jozua, en versterk hem, en bekrachtig hem; want hij zal voor dit volk overgaan, en hij zal hun dit land, dat gij zien zult, doen erven.
29Alzo bleven wij in het dal, tegenover Beth-Peor.