Deuteronomium 3:28
“Maar gebied Jozua, en versterk hem, en bekrachtig hem; want hij zal voor dit volk overgaan, en hij zal hun dit land, dat gij zien zult, doen erven.”
Kruisverwijzingen
Context
Deuteronomium 3 — omringende verzen
En ik bad vuriglijk tot den HEER ter zelfder tijd, zeggende:
24Heere HEER, Gij hebt begonnen Uw knecht te tonen Uw grootheid en Uw sterke hand; want wat God is er in den hemel en op de aarde, die doen kan naar Uw werken en naar Uw mogendheden?
25Laat mij toch overtrekken en het goede land zien, dat aan gene zijde van de Jordaan is, dit goede gebergte, en den Libanon.
26Maar de HEER was op mij zeer toornig om uwentwil, en Hij verhoorde mij niet; en de HEER zeide tot mij: Het is u genoeg; spreek tot Mij niet meer van deze zaak.
27Klim op de hoogte van Pisga, en hef uw ogen op naar het westen, en naar het noorden, en naar het zuiden, en naar het oosten, en zie het met uw ogen aan; want gij zult niet over deze Jordaan gaan.
Maar gebied Jozua, en versterk hem, en bekrachtig hem; want hij zal voor dit volk overgaan, en hij zal hun dit land, dat gij zien zult, doen erven.
Alzo bleven wij in het dal, tegenover Beth-Peor.