Deuteronomium 4:3
“Uw ogen hebben gezien wat de HEER gedaan heeft om Baäl-Peor; want alle man, die Baäl-Peor nagewandeld is, dien heeft de HEER, uw God, uit het midden van u verdelgd.”
Kruisverwijzingen
Context
Deuteronomium 4 — omringende verzen
Nu dan, Israël, hoor naar de inzettingen en naar de rechten, die ik u leer te doen, opdat gij leeft, en inkomt, en het land erft, dat de HEER, de God uwer vaderen, u geeft.
2Gij zult niet toedoen tot het woord, dat ik u gebiede, en gij zult daarvan niet afdoen, opdat gij de geboden des HEREN, uws Gods, die ik u gebiede, bewaren moogt.
Uw ogen hebben gezien wat de HEER gedaan heeft om Baäl-Peor; want alle man, die Baäl-Peor nagewandeld is, dien heeft de HEER, uw God, uit het midden van u verdelgd.
Maar gijlieden, die den HEER, uw God, aanhingt, gij zijt heden allen levend.
5Ziet, ik heb u inzettingen en rechten geleerd, gelijk als de HEER, mijn God, mij geboden heeft, opdat gij alzo doet in het midden des lands, waarheen gij gaat om dat te erven.
6Behoudt ze dan en doet ze, want dat zal uw wijsheid en uw verstand zijn voor de ogen der volken, die al deze inzettingen horen zullen, en zeggen: Dit grote volk alleen is een wijs en verstandig volk!
7Want wat groot volk is er, dat goden heeft, die het zo nabij zijn, als de HEER, onze God, in alles waarvoor wij Hem aanroepen?
8En wat groot volk is er, dat zo rechtvaardige inzettingen en rechten heeft, als deze ganse wet is, die ik heden voor uw aangezicht geef?