Terug naar Deuteronomium 5
VSV
Statenvertaling

Deuteronomium 5:24

En gij zeidet: Zie, de HEER onze God heeft ons Zijn heerlijkheid en Zijn grootheid getoond, en wij hebben Zijn stem gehoord uit het midden van het vuur; wij hebben heden gezien dat God met de mens spreekt, en dat hij in leven blijft.

Kruisverwijzingen

Context

Deuteronomium 5 — omringende verzen

19

En u zult niet stelen.

20

Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.

21

Gij zult de vrouw van uw naaste niet begeren, noch zult gij het huis van uw naaste begeren, zijn veld, of zijn dienstknecht, of zijn dienstmaagd, zijn os, of zijn ezel, of iets dat van uw naaste is.

22

Deze woorden sprak de HEER tot uw gehele gemeente op de berg, uit het midden van het vuur, van de wolk en van de dikke duisternis, met een grote stem; en Hij voegde er niets meer aan toe. En Hij schreef ze op twee stenen tafelen en gaf ze aan mij.

23

En het geschiedde, toen gij de stem hoorde uit het midden van de duisternis — want de berg brandde met vuur — dat gij tot mij naderdet, al de hoofden van uw stammen en uw oudsten.

24

En gij zeidet: Zie, de HEER onze God heeft ons Zijn heerlijkheid en Zijn grootheid getoond, en wij hebben Zijn stem gehoord uit het midden van het vuur; wij hebben heden gezien dat God met de mens spreekt, en dat hij in leven blijft.

25

Nu dan, waarom zouden wij sterven? Want dit grote vuur zal ons verteren; indien wij de stem van de HEER onze God nog langer horen, dan zullen wij sterven.

26

Want wie is er van alle vlees, die de stem van de levende God heeft gehoord, sprekende uit het midden van het vuur, zoals wij, en in leven gebleven is?

27

Nader gij zelf en hoor alles wat de HEER onze God zal zeggen, en spreek gij tot ons alles wat de HEER onze God tot u spreken zal; wij zullen het horen en doen.

28

En de HEER hoorde de stem van uw woorden, toen gij tot mij spraakt; en de HEER zeide tot mij: Ik heb de stem van de woorden van dit volk gehoord, die zij tot u gesproken hebben; zij hebben goed gesproken in alles wat zij gezegd hebben.

29

O, dat er zulk een hart in hen ware, dat zij Mij zouden vrezen en al Mijn geboden te allen tijde onderhouden, opdat het hun en hun kinderen voor altijd wel zou gaan!