Deuteronomium 5:28
“En de HEER hoorde de stem van uw woorden, toen gij tot mij spraakt; en de HEER zeide tot mij: Ik heb de stem van de woorden van dit volk gehoord, die zij tot u gesproken hebben; zij hebben goed gesproken in alles wat zij gezegd hebben.”
Kruisverwijzingen
Context
Deuteronomium 5 — omringende verzen
En het geschiedde, toen gij de stem hoorde uit het midden van de duisternis — want de berg brandde met vuur — dat gij tot mij naderdet, al de hoofden van uw stammen en uw oudsten.
24En gij zeidet: Zie, de HEER onze God heeft ons Zijn heerlijkheid en Zijn grootheid getoond, en wij hebben Zijn stem gehoord uit het midden van het vuur; wij hebben heden gezien dat God met de mens spreekt, en dat hij in leven blijft.
25Nu dan, waarom zouden wij sterven? Want dit grote vuur zal ons verteren; indien wij de stem van de HEER onze God nog langer horen, dan zullen wij sterven.
26Want wie is er van alle vlees, die de stem van de levende God heeft gehoord, sprekende uit het midden van het vuur, zoals wij, en in leven gebleven is?
27Nader gij zelf en hoor alles wat de HEER onze God zal zeggen, en spreek gij tot ons alles wat de HEER onze God tot u spreken zal; wij zullen het horen en doen.
En de HEER hoorde de stem van uw woorden, toen gij tot mij spraakt; en de HEER zeide tot mij: Ik heb de stem van de woorden van dit volk gehoord, die zij tot u gesproken hebben; zij hebben goed gesproken in alles wat zij gezegd hebben.
O, dat er zulk een hart in hen ware, dat zij Mij zouden vrezen en al Mijn geboden te allen tijde onderhouden, opdat het hun en hun kinderen voor altijd wel zou gaan!
30Ga, zeg hun: Keer terug naar uw tenten.
31Maar wat u betreft, sta hier bij Mij, en Ik zal u alle geboden, en de instellingen, en de rechtsregelen spreken, die gij hun zult leren, opdat zij die doen in het land dat Ik hun geef om het te bezitten.
32Gij zult er dan nauwlettend op letten te doen wat de HEER uw God u geboden heeft; gij zult niet afwijken naar rechts noch naar links.
33Gij zult wandelen in al de wegen die de HEER uw God u geboden heeft, opdat gij leeft en het u welga, en gij uw dagen verlengt in het land dat gij in bezit zult nemen.