Deuteronomium 7:12
“En het zal geschieden, wanneer gij deze rechtsregelen hoort en nauwlettend onderhoudt en ze doet, dat de HEER uw God voor u het verbond en de goedertierenheid zal bewaren die Hij uw vaderen gezworen heeft.”
Kruisverwijzingen
Context
Deuteronomium 7 — omringende verzen
Niet omdat gij talrijker waart dan alle andere volken heeft de HEER Zijn liefde op u gesteld en u uitgekozen, want gij waart het kleinste van alle volken;
8maar omdat de HEER u liefhad en de eed wilde houden die Hij uw vaderen gezworen had, heeft de HEER u met een sterke hand uitgeleid en u verlost uit het diensthuis, uit de hand van Farao, de koning van Egypte.
9Weet dan dat de HEER uw God, Hij is God, de trouwe God, Die het verbond en de goedertierenheid houdt jegens hen die Hem liefhebben en Zijn geboden onderhouden, tot duizend geslachten toe.
10Maar hen die Hem haten, vergeldt Hij hun recht in hun aangezicht, om hen te verdelgen; Hij zal niet talmen jegens hem die Hem haat, hem zal Hij zijn loon in zijn aangezicht geven.
11Onderhoud daarom de geboden en de instellingen en de rechtsregelen die ik u heden gebiede, om ze te doen.
En het zal geschieden, wanneer gij deze rechtsregelen hoort en nauwlettend onderhoudt en ze doet, dat de HEER uw God voor u het verbond en de goedertierenheid zal bewaren die Hij uw vaderen gezworen heeft.
En Hij zal u liefhebben en u zegenen en u talrijk maken; Hij zal ook de vrucht van uw schoot zegenen en de vrucht van uw land, uw koren en uw most en uw olie, de aanwas van uw runderen en de kudden van uw kleinvee, in het land dat Hij uw vaderen gezworen heeft u te geven.
14Gij zult gezegend zijn boven alle volken; er zal onder u noch onder uw vee enige onvruchtbare man of vrouw zijn.
15En de HEER zal alle ziekte van u wegnemen, en geen van de kwade ziekten van Egypte, die gij kent, zal Hij op u leggen; maar Hij zal ze leggen op allen die u haten.
16En gij zult alle volken verteren die de HEER uw God u overgeeft; uw oog zal hen niet sparen en gij zult hun goden niet dienen, want dat zou u tot een strik zijn.
17Wanneer gij in uw hart zegt: Deze volken zijn talrijker dan ik; hoe zal ik hen kunnen verdrijven?