Terug naar Deuteronomium 7
VSV
Statenvertaling

Deuteronomium 7:13

En Hij zal u liefhebben en u zegenen en u talrijk maken; Hij zal ook de vrucht van uw schoot zegenen en de vrucht van uw land, uw koren en uw most en uw olie, de aanwas van uw runderen en de kudden van uw kleinvee, in het land dat Hij uw vaderen gezworen heeft u te geven.

Kruisverwijzingen

Context

Deuteronomium 7 — omringende verzen

8

maar omdat de HEER u liefhad en de eed wilde houden die Hij uw vaderen gezworen had, heeft de HEER u met een sterke hand uitgeleid en u verlost uit het diensthuis, uit de hand van Farao, de koning van Egypte.

9

Weet dan dat de HEER uw God, Hij is God, de trouwe God, Die het verbond en de goedertierenheid houdt jegens hen die Hem liefhebben en Zijn geboden onderhouden, tot duizend geslachten toe.

10

Maar hen die Hem haten, vergeldt Hij hun recht in hun aangezicht, om hen te verdelgen; Hij zal niet talmen jegens hem die Hem haat, hem zal Hij zijn loon in zijn aangezicht geven.

11

Onderhoud daarom de geboden en de instellingen en de rechtsregelen die ik u heden gebiede, om ze te doen.

12

En het zal geschieden, wanneer gij deze rechtsregelen hoort en nauwlettend onderhoudt en ze doet, dat de HEER uw God voor u het verbond en de goedertierenheid zal bewaren die Hij uw vaderen gezworen heeft.

13

En Hij zal u liefhebben en u zegenen en u talrijk maken; Hij zal ook de vrucht van uw schoot zegenen en de vrucht van uw land, uw koren en uw most en uw olie, de aanwas van uw runderen en de kudden van uw kleinvee, in het land dat Hij uw vaderen gezworen heeft u te geven.

14

Gij zult gezegend zijn boven alle volken; er zal onder u noch onder uw vee enige onvruchtbare man of vrouw zijn.

15

En de HEER zal alle ziekte van u wegnemen, en geen van de kwade ziekten van Egypte, die gij kent, zal Hij op u leggen; maar Hij zal ze leggen op allen die u haten.

16

En gij zult alle volken verteren die de HEER uw God u overgeeft; uw oog zal hen niet sparen en gij zult hun goden niet dienen, want dat zou u tot een strik zijn.

17

Wanneer gij in uw hart zegt: Deze volken zijn talrijker dan ik; hoe zal ik hen kunnen verdrijven?

18

gij zult hen niet vrezen, maar gij zult goed indachtig zijn wat de HEER uw God aan Farao en aan heel Egypte gedaan heeft,