Esther 2:1
“Na deze dingen, toen de toorn van koning Ahasveros gestild was, dacht hij aan Vasthi en wat zij had gedaan en wat er tegen haar besloten was.”
Kruisverwijzingen
Context
Esther 2 — omringende verzen
Na deze dingen, toen de toorn van koning Ahasveros gestild was, dacht hij aan Vasthi en wat zij had gedaan en wat er tegen haar besloten was.
Toen zeiden de dienaren des konings die hem bedienden: Laat men voor de koning schone jonge maagden zoeken.
3En laat de koning in al de gewesten van zijn koninkrijk opzichters aanstellen, die alle schone jonge maagden zullen vergaderen naar de burcht Susan, naar het vrouwenhuis, onder de hoede van Hegai, des konings kamerheer, de bewaker der vrouwen; en laat hun het nodige voor haar reiniging gegeven worden.
4En laat de maagd die de koning behaagt, koningin worden in de plaats van Vasthi. Dit woord behaagde de koning en hij deed zo.
5Nu was er in de burcht Susan een Jood, wiens naam was Mordechai, de zoon van Jaïr, de zoon van Simeï, de zoon van Kis, een Benjaminiet,
6die weggevoerd was uit Jeruzalem met de ballingen die weggevoerd waren met Jechonja, de koning van Juda, dien Nebukadnezar, de koning van Babel, had weggevoerd.