Terug naar Esther 9
VSV
Statenvertaling

Esther 9:15

Want de Joden die in Susan waren, verzamelden zich ook op de veertiende dag van de maand Adar, en doodden in Susan driehonderd mannen; maar aan de buit sloegen zij hun hand niet.

Kruisverwijzingen

Context

Esther 9 — omringende verzen

10

De tien zonen van Haman, de zoon van Hammedatha, de vijand der Joden, doodden zij; maar aan de buit sloegen zij hun hand niet.

11

Op die dag werd het getal van hen die in het paleis Susan gedood waren, voor de koning gebracht.

12

En de koning zeide tot koningin Esther: De Joden hebben in het paleis Susan vijfhonderd mannen gedood en verdelgd, en de tien zonen van Haman; wat hebben zij gedaan in de overige gewesten des konings? Wat is nu uw verzoek, en het zal u gegeven worden; of wat is nog uw begeerte, en het zal gedaan worden.

13

Toen zeide Esther: Indien het de koning behaagt, laat het de Joden die in Susan zijn ook morgen toegestaan worden te doen naar het besluit van vandaag, en laat men de tien zonen van Haman aan de galg hangen.

14

En de koning beval dat het zo zou geschieden; en het besluit werd uitgevaardigd in Susan, en zij hingen de tien zonen van Haman op.

15

Want de Joden die in Susan waren, verzamelden zich ook op de veertiende dag van de maand Adar, en doodden in Susan driehonderd mannen; maar aan de buit sloegen zij hun hand niet.

16

Maar de overige Joden die in de gewesten des konings waren, verzamelden zich en kwamen op voor hun leven, en kregen rust van hun vijanden, en doodden van hun haters vijfenzeventigduizend; maar aan de buit sloegen zij hun hand niet.

17

Op de dertiende dag van de maand Adar; en op de veertiende dag derzelve rustten zij, en maakten die tot een dag van feestmaal en blijdschap.

18

Maar de Joden die in Susan waren, verzamelden zich op de dertiende dag derzelve en op de veertiende dag derzelve; en op de vijftiende dag derzelve rustten zij, en maakten die tot een dag van feestmaal en blijdschap.

19

Daarom maakten de Joden van de dorpen, die in de open steden woonden, de veertiende dag van de maand Adar tot een dag van blijdschap en feestmaal, en een goede dag, en van het zenden van geschenken aan elkander.

20

En Mordechai schreef deze dingen op, en zond brieven aan al de Joden die in al de gewesten van koning Ahasveros waren, nabij en ver,