Exodus 1:6
“En Jozef stierf, en al zijn broeders, en dat ganse geslacht.”
Kruisverwijzingen
Context
Exodus 1 — omringende verzen
Dit nu zijn de namen van de kinderen Israëls, die naar Egypte kwamen; ieder man met zijn huisgezin kwam met Jakob mee.
2Ruben, Simeon, Levi en Juda,
3Issaschar, Zebulon en Benjamin,
4Dan en Naftali, Gad en Aser.
5En alle zielen die uit de lendenen van Jakob voortgekomen waren, waren zeventig zielen; want Jozef was reeds in Egypte.
En Jozef stierf, en al zijn broeders, en dat ganse geslacht.
En de kinderen Israëls waren vruchtbaar en namen zeer toe, en vermenigvuldigden en werden uitermate machtig; en het land werd met hen vervuld.
8Nu stond er een nieuwe koning op over Egypte, die Jozef niet kende.
9En hij zeide tot zijn volk: Zie, het volk van de kinderen Israëls is groter en machtiger dan wij.
10Kom, laat ons wijs met hen handelen; opdat zij zich niet vermenigvuldigen, en het geschiedt, wanneer er enige oorlog uitbreekt, dat zij zich ook bij onze vijanden voegen en tegen ons strijden, en zo uit het land optrekken.
11Daarom stelden zij over hen opzichters aan om hen met zware lasten te verdrukken. En zij bouwden voor Farao voorraadsteden, Pitom en Raämses.