Exodus 10:28
“En Farao zei tot hem: Ga van mij weg, wacht u ervoor mijn aangezicht weer te zien, want op de dag dat gij mijn aangezicht ziet, zult gij sterven.”
Kruisverwijzingen
Context
Exodus 10 — omringende verzen
Zij zagen niemand, en niemand stond drie dagen lang van zijn plaats op; maar alle kinderen Israëls hadden licht in hun woningen.
24En Farao riep Mozes en zei: Gaat, dient de HEER; alleen uw kudden en uw runderen zullen achterblijven; ook uw kleinen mogen met u gaan.
25En Mozes zei: Gij moet ook slachtoffers en brandoffers aan ons geven, opdat wij de HEER onze God offeren.
26Ons vee zal ook met ons gaan; er zal geen hoef achterblijven, want daarvan moeten wij nemen om de HEER onze God te dienen, en wij weten niet waarmee wij de HEER dienen moeten, totdat wij daarheen komen.
27Maar de HEER verhardde het hart van Farao, en hij wilde hen niet laten gaan.
En Farao zei tot hem: Ga van mij weg, wacht u ervoor mijn aangezicht weer te zien, want op de dag dat gij mijn aangezicht ziet, zult gij sterven.
En Mozes zei: Gij hebt goed gesproken; ik zal uw aangezicht niet meer zien.