Exodus 14:18
“En de Egyptenaren zullen weten dat Ik de HEER ben, wanneer Ik Mij verheerlijkt heb aan Farao, aan zijn wagens en aan zijn ruiters.”
Kruisverwijzingen
Context
Exodus 14 — omringende verzen
En Mozes zei tot het volk: Vreest niet, staat stil en ziet de verlossing van de HEER, die Hij u heden zal bewijzen; want de Egyptenaren die gij heden gezien hebt, zult gij nooit meer zien in eeuwigheid.
14De HEER zal voor u strijden, en gij zult stil zijn.
15En de HEER zei tot Mozes: Waarom roept gij tot Mij? Spreek tot de kinderen Israëls, dat zij voorwaarts trekken.
16Maar hef uw staf op en strek uw hand uit over de zee en deel haar; en de kinderen Israëls zullen op het droge door het midden van de zee gaan.
17En Ik, zie, Ik zal het hart van de Egyptenaren verharden, zodat zij hen achternagaan; en Ik zal Mij verheerlijken aan Farao en aan zijn gehele leger, aan zijn wagens en aan zijn ruiters.
En de Egyptenaren zullen weten dat Ik de HEER ben, wanneer Ik Mij verheerlijkt heb aan Farao, aan zijn wagens en aan zijn ruiters.
En de Engel Gods, die voor het leger van Israël uitging, week weg en ging achter hen aan; en de wolkkolom week van voor hun aangezicht en stond achter hen:
20En zij kwam tussen het leger van de Egyptenaren en het leger van Israël; en zij was een wolk en duisternis voor dezen, maar verlichte de nacht voor genen; zodat de een de andere de gehele nacht niet naderde.
21En Mozes strekte zijn hand uit over de zee; en de HEER deed de zee de gehele nacht terugwijken door een sterke oostenwind, en maakte de zee tot droog land, en de wateren werden gedeeld.
22En de kinderen Israëls gingen in het midden van de zee op het droge; en de wateren waren hun een muur aan hun rechterhand en aan hun linkerhand.
23En de Egyptenaren achtervolgden hen en gingen hen na in het midden van de zee, alle paarden van Farao, zijn wagens en zijn ruiters.