Exodus 2:9
“En de dochter van Farao zeide tot haar: Neem dit kind mee en zoog het voor mij, en ik zal u uw loon geven. En de vrouw nam het kind en zoogde het.”
Kruisverwijzingen
Context
Exodus 2 — omringende verzen
En zijn zuster stelde zich van verre op, om te weten wat hem zou overkomen.
5En de dochter van Farao daalde af om zich te wassen bij de rivier; en haar dienaressen wandelden langs de oever van de rivier; en toen zij het mandje zag in het riet, zond zij haar dienstmaagd om het te halen.
6En toen zij het opende, zag zij het kind; en zie, de kleine jongen weende. En zij had medelijden met hem, en zeide: Dit is een van de kinderen der Hebreeën.
7Toen zeide zijn zuster tot de dochter van Farao: Zal ik heengaan en een voedster voor u roepen uit de Hebreeuwse vrouwen, die het kind voor u zoogt?
8En de dochter van Farao zeide tot haar: Ga. En de jonge vrouw ging heen en riep de moeder van het kind.
En de dochter van Farao zeide tot haar: Neem dit kind mee en zoog het voor mij, en ik zal u uw loon geven. En de vrouw nam het kind en zoogde het.
En het kind groeide op, en zij bracht hem tot de dochter van Farao, en hij werd haar zoon. En zij noemde zijn naam Mozes; en zij zeide: Want ik heb hem uit het water getrokken.
11En het geschiedde in die dagen, toen Mozes groot geworden was, dat hij uitging naar zijn broederen en hun lasten aanschouwde; en hij zag een Egyptenaar, die een Hebreeër sloeg, een van zijn broederen.
12En hij keek deze en gene kant uit, en toen hij zag dat er niemand was, sloeg hij de Egyptenaar dood en verborg hem in het zand.
13En toen hij de volgende dag uitging, zie, twee Hebreeuwse mannen twistten met elkaar; en hij zeide tot hem die het onrecht deed: Waarom slaat gij uw medegenoot?
14En hij zeide: Wie heeft u tot overste en rechter over ons gesteld? Denkt gij mij te doden, zoals gij de Egyptenaar gedood hebt? En Mozes vreesde en zeide: Zeker, deze zaak is bekend geworden.