Exodus 2:13
“En toen hij de volgende dag uitging, zie, twee Hebreeuwse mannen twistten met elkaar; en hij zeide tot hem die het onrecht deed: Waarom slaat gij uw medegenoot?”
Kruisverwijzingen
Context
Exodus 2 — omringende verzen
En de dochter van Farao zeide tot haar: Ga. En de jonge vrouw ging heen en riep de moeder van het kind.
9En de dochter van Farao zeide tot haar: Neem dit kind mee en zoog het voor mij, en ik zal u uw loon geven. En de vrouw nam het kind en zoogde het.
10En het kind groeide op, en zij bracht hem tot de dochter van Farao, en hij werd haar zoon. En zij noemde zijn naam Mozes; en zij zeide: Want ik heb hem uit het water getrokken.
11En het geschiedde in die dagen, toen Mozes groot geworden was, dat hij uitging naar zijn broederen en hun lasten aanschouwde; en hij zag een Egyptenaar, die een Hebreeër sloeg, een van zijn broederen.
12En hij keek deze en gene kant uit, en toen hij zag dat er niemand was, sloeg hij de Egyptenaar dood en verborg hem in het zand.
En toen hij de volgende dag uitging, zie, twee Hebreeuwse mannen twistten met elkaar; en hij zeide tot hem die het onrecht deed: Waarom slaat gij uw medegenoot?
En hij zeide: Wie heeft u tot overste en rechter over ons gesteld? Denkt gij mij te doden, zoals gij de Egyptenaar gedood hebt? En Mozes vreesde en zeide: Zeker, deze zaak is bekend geworden.
15Toen nu Farao deze zaak hoorde, zocht hij Mozes te doden. Maar Mozes vluchtte voor het aangezicht van Farao en woonde in het land Midian; en hij zat neer bij een put.
16De priester van Midian nu had zeven dochters; en zij kwamen en putten water en vulden de drinkbakken om de kudde van hun vader te drenken.
17En de herders kwamen en dreven haar weg; maar Mozes stond op en hielp haar, en drenkte hun kudde.
18En toen zij bij hun vader Reüel kwamen, zeide hij: Hoe komt het dat gij heden zo spoedig hier zijt?