Exodus 3:17
“En Ik heb gezegd: Ik zal u ophalen uit de ellende van Egypte naar het land der Kanaänieten en der Hethieten en der Amorieten en der Perizziten en der Hevieten en der Jebusieten, naar een land dat vloeit van melk en honing.”
Kruisverwijzingen
Context
Exodus 3 — omringende verzen
En Hij zeide: Voorzeker, Ik zal met u zijn; en dit zal u het teken zijn, dat Ik u gezonden heb: wanneer gij het volk uit Egypte geleid hebt, zult gij God dienen op deze berg.
13En Mozes zeide tot God: Zie, wanneer ik tot de kinderen Israëls kom en tot hen zeg: De God van uw vaderen heeft mij tot u gezonden; en zij tot mij zeggen: Wat is Zijn naam? wat zal ik hun dan zeggen?
14En God zeide tot Mozes: IK BEN DIE IK BEN; en Hij zeide: Aldus zult gij tot de kinderen Israëls zeggen: IK BEN heeft mij tot u gezonden.
15En God zeide voorts tot Mozes: Aldus zult gij tot de kinderen Israëls zeggen: de HEER, de God uwer vaderen, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob, heeft mij tot u gezonden; dit is mijn naam voor eeuwig, en dit is mijn gedachtenis van geslacht tot geslacht.
16Ga heen en vergader de oudsten van Israël bijeen, en zeg tot hen: De HEER, de God uwer vaderen, de God van Abraham, van Izak en van Jakob, is mij verschenen en heeft gezegd: Ik heb u zeker bezocht en gezien wat u in Egypte aangedaan wordt.
En Ik heb gezegd: Ik zal u ophalen uit de ellende van Egypte naar het land der Kanaänieten en der Hethieten en der Amorieten en der Perizziten en der Hevieten en der Jebusieten, naar een land dat vloeit van melk en honing.
En zij zullen naar uw stem luisteren; en gij zult komen, gij en de oudsten van Israël, tot de koning van Egypte, en gij zult tot hem zeggen: De HEER, de God der Hebreeën, heeft ons ontmoet; laat ons nu gaan, wij bidden u, drie dagreizen ver de woestijn in, opdat wij de HEER onze God mogen offeren.
19En ik weet zeker dat de koning van Egypte u niet zal laten gaan, ook niet door een machtige hand.
20Maar Ik zal mijn hand uitstrekken en Egypte slaan met al mijn wonderen die Ik in het midden daarvan zal doen; en daarna zal hij u laten gaan.
21En Ik zal dit volk genade geven in de ogen der Egyptenaren; en het zal geschieden, dat wanneer gij gaat, gij niet met lege handen zult gaan.
22Maar elke vrouw zal van haar buurvrouw en van haar die in haar huis verblijft, zilveren sieraden en gouden sieraden en kleding lenen; en gij zult die op uw zonen en op uw dochteren leggen, en zo zult gij de Egyptenaren beroven.