Exodus 33:8
“En het geschiedde, wanneer Mozes uitging naar de tabernakel, dat al het volk opstond en ieder man bij zijn tentingang stond, en Mozes nakeek, totdat hij de tabernakel was binnengegaan.”
Kruisverwijzingen
Context
Exodus 33 — omringende verzen
Naar een land dat van melk en honing vloeit; want Ik zal niet in uw midden optrekken, omdat gij een hardnekkig volk zijt, opdat Ik u niet onderweg verdelge.
4En toen het volk dit slechte bericht hoorde, bedreven zij rouw; en niemand deed zijn sieraden om.
5Want de HEER had tot Mozes gezegd: Zeg tot de kinderen Israëls: Gij zijt een hardnekkig volk; als Ik één ogenblik in uw midden zou optrekken, zou Ik u verdelgen; doe dan nu uw sieraden van u af, opdat Ik wete wat Ik met u zal doen.
6En de kinderen Israëls ontdeden zich van hun sieraden bij de berg Horeb.
7En Mozes nam de tabernakel en zette hem buiten het kamp, ver van het kamp af, en noemde hem de Tent der samenkomst. En het geschiedde dat ieder die de HEER zocht, uitging naar de Tent der samenkomst, die buiten het kamp was.
En het geschiedde, wanneer Mozes uitging naar de tabernakel, dat al het volk opstond en ieder man bij zijn tentingang stond, en Mozes nakeek, totdat hij de tabernakel was binnengegaan.
En het geschiedde, zodra Mozes de tabernakel binnenging, dat de wolkkolom neerdaalde en bij de ingang van de tabernakel stond, en de Heer sprak met Mozes.
10En al het volk zag de wolkkolom bij de ingang van de tabernakel staan; en al het volk stond op en boog zich neer, ieder bij zijn tentingang.
11En de HEER sprak tot Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals een man met zijn vriend spreekt. Daarna keerde hij terug naar het kamp; maar zijn dienaar Jozua, de zoon van Nun, een jongeman, week niet uit de tabernakel.
12En Mozes zei tot de HEER: Zie, Gij zegt tot mij: Leid dit volk op; maar Gij hebt mij niet laten weten wie Gij met mij zult zenden. Nochtans hebt Gij gezegd: Ik ken u bij name, en gij hebt ook genade gevonden in Mijn ogen.
13Nu dan, als ik genade gevonden heb in Uw ogen, toon mij toch Uw weg, opdat ik U kenne en genade vinde in Uw ogen; en bedenk dat dit volk Uw volk is.