Exodus 34:10
“En Hij zei: Zie, Ik sluit een verbond: voor het oog van al uw volk zal Ik wonderen doen, zoals er in de gehele aarde en onder geen enkel volk gedaan zijn; en al het volk in welks midden gij zijt, zal de werken des HEREN zien, want het is een ontzagwekkend ding dat Ik met u doen zal.”
Kruisverwijzingen
Context
Exodus 34 — omringende verzen
En de HEER daalde neder in de wolk, en stond aldaar bij hem, en riep de naam van de HEER uit.
6En de HEER ging aan hem voorbij en riep: De HEER, de HEER God, barmhartig en genadig, lankmoedig en overvloedig in goedheid en waarheid,
7Die goedertierenheid bewaart voor duizenden, die ongerechtigheid en overtreding en zonde vergeeft, maar Die de schuldige geenszins onschuldig houdt; Die de ongerechtigheid der vaderen bezoekt aan de kinderen en aan de kindskinderen, tot het derde en vierde geslacht.
8En Mozes haastte zich en boog zijn hoofd ter aarde, en aanbad.
9En hij zei: Indien ik nu genade gevonden heb in Uw ogen, o HEER, laat mijn Heer toch in ons midden gaan; want het is een hardnekkig volk; en vergeef onze ongerechtigheid en onze zonde, en neem ons aan als Uw erfenis.
En Hij zei: Zie, Ik sluit een verbond: voor het oog van al uw volk zal Ik wonderen doen, zoals er in de gehele aarde en onder geen enkel volk gedaan zijn; en al het volk in welks midden gij zijt, zal de werken des HEREN zien, want het is een ontzagwekkend ding dat Ik met u doen zal.
Neemt in acht wat Ik u heden gebied: zie, Ik verdrijf voor u uit de Amorieten, en de Kanaänieten, en de Hethieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten.
12Wacht u dat gij geen verbond sluit met de inwoners van het land waarheen gij gaat, opdat het geen valstrik in uw midden zij.
13Maar hun altaren zult gij afbreken, hun gewijde stenen verbrijzelen, en hun gewijde palen omhakken.
14Want gij zult u voor geen andere god neerbuigen; want de HEER, Wiens naam Naijverige is, is een naijverig God.
15Opdat gij geen verbond sluit met de inwoners van het land, en zij hoereren achter hun goden en aan hun goden offeren, en men u uitnodige en gij van zijn offer eet;