Exodus 34:6
“En de HEER ging aan hem voorbij en riep: De HEER, de HEER God, barmhartig en genadig, lankmoedig en overvloedig in goedheid en waarheid,”
Kruisverwijzingen
Context
Exodus 34 — omringende verzen
En de HEER zei tot Mozes: Houw u twee stenen tafelen uit, gelijk de eerste; en Ik zal op deze tafelen de woorden schrijven die op de eerste tafelen stonden, welke gij gebroken hebt.
2En wees gereed in de morgen, en kom in de morgen op naar de berg Sinaï, en stel u daar voor Mij op de top van de berg.
3En niemand zal met u opgaan, noch zal enig mens gezien worden op de gehele berg; ook zullen de kudden en de runderen niet weiden voor die berg.
4En hij hieuw twee stenen tafelen uit, gelijk de eerste; en Mozes stond vroeg op in de morgen en ging op naar de berg Sinaï, zoals de HEER hem geboden had, en nam in zijn hand de twee stenen tafelen.
5En de HEER daalde neder in de wolk, en stond aldaar bij hem, en riep de naam van de HEER uit.
En de HEER ging aan hem voorbij en riep: De HEER, de HEER God, barmhartig en genadig, lankmoedig en overvloedig in goedheid en waarheid,
Die goedertierenheid bewaart voor duizenden, die ongerechtigheid en overtreding en zonde vergeeft, maar Die de schuldige geenszins onschuldig houdt; Die de ongerechtigheid der vaderen bezoekt aan de kinderen en aan de kindskinderen, tot het derde en vierde geslacht.
8En Mozes haastte zich en boog zijn hoofd ter aarde, en aanbad.
9En hij zei: Indien ik nu genade gevonden heb in Uw ogen, o HEER, laat mijn Heer toch in ons midden gaan; want het is een hardnekkig volk; en vergeef onze ongerechtigheid en onze zonde, en neem ons aan als Uw erfenis.
10En Hij zei: Zie, Ik sluit een verbond: voor het oog van al uw volk zal Ik wonderen doen, zoals er in de gehele aarde en onder geen enkel volk gedaan zijn; en al het volk in welks midden gij zijt, zal de werken des HEREN zien, want het is een ontzagwekkend ding dat Ik met u doen zal.
11Neemt in acht wat Ik u heden gebied: zie, Ik verdrijf voor u uit de Amorieten, en de Kanaänieten, en de Hethieten, en de Ferezieten, en de Hevieten, en de Jebusieten.