Exodus 4:7
“En Hij zeide: Steek uw hand wederom in uw boezem. En hij stak zijn hand wederom in zijn boezem; en hij trok hem uit zijn boezem, en zie, hij was weder gelijk als zijn andere vlees.”
Kruisverwijzingen
Context
Exodus 4 — omringende verzen
En de HEER zeide tot hem: Wat is dat in uw hand? En hij zeide: Een staf.
3En Hij zeide: Werp hem op de grond. En hij wierp hem op de grond, en hij werd een slang; en Mozes vluchtte ervoor.
4En de HEER zeide tot Mozes: Strek uw hand uit en grijp hem bij zijn staart. En hij strekte zijn hand uit en greep hem, en hij werd een staf in zijn hand,
5opdat zij geloven dat de HEER, de God hunner vaderen, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob, u verschenen is.
6En de HEER zeide voorts tot hem: Steek nu uw hand in uw boezem. En hij stak zijn hand in zijn boezem; en toen hij hem eruit trok, zie, zijn hand was melaats als sneeuw.
En Hij zeide: Steek uw hand wederom in uw boezem. En hij stak zijn hand wederom in zijn boezem; en hij trok hem uit zijn boezem, en zie, hij was weder gelijk als zijn andere vlees.
En het zal geschieden, indien zij u niet geloven en niet luisteren naar de stem van het eerste teken, dat zij de stem van het laatste teken geloven zullen.
9En het zal geschieden, indien zij ook deze twee tekenen niet geloven en niet naar uw stem luisteren, dat gij water uit de rivier zult nemen en op het droge land gieten; en het water dat gij uit de rivier neemt, zal bloed worden op het droge land.
10En Mozes zeide tot de HEER: Och Heer, ik ben niet welsprekend, noch van gisteren, noch van eergisteren, noch sedert U met uw knecht gesproken hebt; want ik ben traag van mond en traag van tong.
11En de HEER zeide tot hem: Wie heeft de mond des mensen gemaakt? of wie maakt de stomme, of de dove, of de ziende, of de blinde? Ben Ik het niet, de HEER?
12Nu dan, ga heen, en Ik zal met uw mond zijn en u leren wat gij spreken zult.