Terug naar Exodus 4
VSV
Statenvertaling

Exodus 4:9

En het zal geschieden, indien zij ook deze twee tekenen niet geloven en niet naar uw stem luisteren, dat gij water uit de rivier zult nemen en op het droge land gieten; en het water dat gij uit de rivier neemt, zal bloed worden op het droge land.

Kruisverwijzingen

Context

Exodus 4 — omringende verzen

4

En de HEER zeide tot Mozes: Strek uw hand uit en grijp hem bij zijn staart. En hij strekte zijn hand uit en greep hem, en hij werd een staf in zijn hand,

5

opdat zij geloven dat de HEER, de God hunner vaderen, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob, u verschenen is.

6

En de HEER zeide voorts tot hem: Steek nu uw hand in uw boezem. En hij stak zijn hand in zijn boezem; en toen hij hem eruit trok, zie, zijn hand was melaats als sneeuw.

7

En Hij zeide: Steek uw hand wederom in uw boezem. En hij stak zijn hand wederom in zijn boezem; en hij trok hem uit zijn boezem, en zie, hij was weder gelijk als zijn andere vlees.

8

En het zal geschieden, indien zij u niet geloven en niet luisteren naar de stem van het eerste teken, dat zij de stem van het laatste teken geloven zullen.

9

En het zal geschieden, indien zij ook deze twee tekenen niet geloven en niet naar uw stem luisteren, dat gij water uit de rivier zult nemen en op het droge land gieten; en het water dat gij uit de rivier neemt, zal bloed worden op het droge land.

10

En Mozes zeide tot de HEER: Och Heer, ik ben niet welsprekend, noch van gisteren, noch van eergisteren, noch sedert U met uw knecht gesproken hebt; want ik ben traag van mond en traag van tong.

11

En de HEER zeide tot hem: Wie heeft de mond des mensen gemaakt? of wie maakt de stomme, of de dove, of de ziende, of de blinde? Ben Ik het niet, de HEER?

12

Nu dan, ga heen, en Ik zal met uw mond zijn en u leren wat gij spreken zult.

13

En hij zeide: Och Heer, zend toch door wiens hand U zenden zult.

14

Toen ontbrandde de toorn des HEREN tegen Mozes, en Hij zeide: Is niet Aäron de Leviet uw broeder? Ik weet dat hij wel spreken kan. En zie, hij komt u ook tegemoet; en als hij u ziet, zal hij zich in zijn hart verblijden.