Exodus 6:27
“Dezen zijn het die tot Farao, de koning van Egypte, spraken, om de kinderen Israëls uit Egypte te leiden; dit zijn dezelfde Mozes en Aäron.”
Kruisverwijzingen
Context
Exodus 6 — omringende verzen
En de zonen van Uzziël: Misaël en Elzafan en Zitri.
23En Aäron nam Eliseba, de dochter van Amminadab, de zuster van Nahesson, tot vrouw; en zij baarde hem Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.
24En de zonen van Korach: Assir en Elkana en Abiasaf; dit zijn de geslachten der Korachieten.
25En Eleazar, de zoon van Aäron, nam voor zichzelf een van de dochters van Putiël tot vrouw; en zij baarde hem Pinechas; dit zijn de hoofden der vaderen der Levieten naar hun geslachten.
26Dit zijn dezelfde Aäron en Mozes, tot wie de HEER zeide: Brengt de kinderen Israëls uit het land Egypte naar hun legers.
Dezen zijn het die tot Farao, de koning van Egypte, spraken, om de kinderen Israëls uit Egypte te leiden; dit zijn dezelfde Mozes en Aäron.
En het geschiedde op de dag dat de HEER tot Mozes sprak in het land Egypte,
29Dat de HEER tot Mozes sprak, zeggende: Ik ben de HEER; spreek tot Farao, de koning van Egypte, alles wat Ik u zeg.
30En Mozes zeide voor het aangezicht des HEREN: Zie, ik ben onbesneden van lippen; hoe zal Farao dan naar mij luisteren?