Exodus 9:1
“Toen zei de HEER tot Mozes: Ga naar Farao en zeg hem: Zo zegt de HEER, de God der Hebreeën: Laat mijn volk gaan, opdat zij Mij dienen.”
Kruisverwijzingen
Context
Exodus 9 — omringende verzen
Toen zei de HEER tot Mozes: Ga naar Farao en zeg hem: Zo zegt de HEER, de God der Hebreeën: Laat mijn volk gaan, opdat zij Mij dienen.
Want indien u weigert hen te laten gaan en hen vasthoudt,
3Zie, de hand van de HEER zal zijn over uw vee dat in het veld is, over de paarden, over de ezels, over de kamelen, over de runderen en over het kleinvee; er zal een zeer zware veepest zijn.
4En de HEER zal onderscheid maken tussen het vee van Israël en het vee van Egypte; en van al wat de kinderen Israëls toebehoort, zal niets sterven.
5En de HEER stelde een bepaalde tijd vast en zei: Morgen zal de HEER dit doen in het land.
6En de HEER deed dat de volgende dag, en al het vee van Egypte stierf; maar van het vee der kinderen Israëls stierf er niet één.