Ezechiël 1:3
“Het woord des HEREN kwam uitdrukkelijk tot Ezechiël de priester, de zoon van Buzi, in het land der Chaldeeën bij de rivier de Chebar; en de hand des HEREN was daar op hem.”
Kruisverwijzingen
Context
Ezechiël 1 — omringende verzen
Nu geschiedde het in het dertigste jaar, in de vierde maand, op de vijfde dag der maand, toen ik mij onder de gevangenen bevond bij de rivier de Chebar, dat de hemelen werden geopend en ik gezichten van God zag.
2Op de vijfde dag der maand, welke het vijfde jaar was van de gevangenschap van koning Jojachin,
Het woord des HEREN kwam uitdrukkelijk tot Ezechiël de priester, de zoon van Buzi, in het land der Chaldeeën bij de rivier de Chebar; en de hand des HEREN was daar op hem.
En ik zag, en zie, een wervelwind kwam uit het noorden, een grote wolk met vuur dat zichzelf omhulde, en er was een glinstering rondom, en uit het midden daarvan als de kleur van barnsteen, uit het midden van het vuur.
5Ook uit het midden daarvan kwam de gedaante van vier levende wezens. En dit was hun verschijning: zij hadden de gelijkenis van een mens.
6En elk had vier aangezichten, en elk had vier vleugels.
7En hun voeten waren rechte voeten; en de zool van hun voeten was als de zool van een kalfspoot; en zij fonkelden als de kleur van gepolijst koper.
8En zij hadden mensenhanden onder hun vleugels aan hun vier zijden; en zij vieren hadden hun aangezichten en hun vleugels.