Terug naar Ezechiël 1
VSV
Statenvertaling

Ezechiël 1:5

Ook uit het midden daarvan kwam de gedaante van vier levende wezens. En dit was hun verschijning: zij hadden de gelijkenis van een mens.

Kruisverwijzingen

Context

Ezechiël 1 — omringende verzen

1

Nu geschiedde het in het dertigste jaar, in de vierde maand, op de vijfde dag der maand, toen ik mij onder de gevangenen bevond bij de rivier de Chebar, dat de hemelen werden geopend en ik gezichten van God zag.

2

Op de vijfde dag der maand, welke het vijfde jaar was van de gevangenschap van koning Jojachin,

3

Het woord des HEREN kwam uitdrukkelijk tot Ezechiël de priester, de zoon van Buzi, in het land der Chaldeeën bij de rivier de Chebar; en de hand des HEREN was daar op hem.

4

En ik zag, en zie, een wervelwind kwam uit het noorden, een grote wolk met vuur dat zichzelf omhulde, en er was een glinstering rondom, en uit het midden daarvan als de kleur van barnsteen, uit het midden van het vuur.

5

Ook uit het midden daarvan kwam de gedaante van vier levende wezens. En dit was hun verschijning: zij hadden de gelijkenis van een mens.

6

En elk had vier aangezichten, en elk had vier vleugels.

7

En hun voeten waren rechte voeten; en de zool van hun voeten was als de zool van een kalfspoot; en zij fonkelden als de kleur van gepolijst koper.

8

En zij hadden mensenhanden onder hun vleugels aan hun vier zijden; en zij vieren hadden hun aangezichten en hun vleugels.

9

Hun vleugels waren aan elkander verbonden; zij keerden zich niet om als zij gingen; elk ging recht vooruit.

10

Wat de gelijkenis van hun aangezichten betreft, zij vieren hadden het aangezicht van een mens, en het aangezicht van een leeuw aan de rechterzijde; en zij vieren hadden het aangezicht van een os aan de linkerzijde; zij vieren hadden ook het aangezicht van een arend.