Terug naar Ezechiël 13
VSV
Statenvertaling

Ezechiël 13:12

Zie, wanneer de muur gevallen is, zal men niet tot u zeggen: Waar is de bepleistering waarmee gij hem bestreken hebt?

Kruisverwijzingen

Context

Ezechiël 13 — omringende verzen

7

Hebt gij niet een ijdel visioen gezien, en hebt gij niet een leugenachtige waarzeggerij gesproken, terwijl gij zegt: De HEER zegt het; ofschoon Ik niet gesproken heb?

8

Daarom zegt de Heer HEER aldus: Omdat gij ijdelheid gesproken en leugens gezien hebt, zie, Ik kom tegen u, zegt de Heer HEER.

9

Mijn hand zal zijn tegen de profeten die ijdelheid zien en leugens waarzeggen: zij zullen niet zijn in de vergadering van Mijn volk, noch ingeschreven worden in het register van het huis Israëls, noch in het land Israëls ingaan; en gij zult weten dat Ik de Heer HEER ben.

10

Omdat, ja omdat zij Mijn volk verleid hebben, zeggende: Vrede; terwijl er geen vrede was; en de een bouwde een muur op, en zie, anderen bestreken hem met ongebluste kalk;

11

Zeg tot degenen die hem bestrijken met ongebluste kalk, dat hij zal vallen: er zal een overstromende regen komen; en gij, O grote hagelstenen, zult vallen; en een stormwind zal hem splijten.

12

Zie, wanneer de muur gevallen is, zal men niet tot u zeggen: Waar is de bepleistering waarmee gij hem bestreken hebt?

13

Daarom zegt de Heer HEER aldus: Ik zal hem splijten met een stormwind in Mijn toorn; en er zal een overstromende regen zijn in Mijn gramschap, en grote hagelstenen in Mijn toorn om hem te verteren.

14

Zo zal Ik de muur die gij bestreken hebt met ongebluste kalk afbreken, en hem ter aarde werpen, zodat zijn fundament blootgelegd wordt; hij zal vallen, en gij zult daarin omkomen; en gij zult weten dat Ik de HEER ben.

15

Zo zal Ik Mijn gramschap voltooien aan de muur en aan hen die hem bestreken hebben met ongebluste kalk, en zal tot u zeggen: De muur is er niet meer, en zij die hem bestreken hebben evenmin;

16

Namelijk de profeten van Israël die over Jeruzalem profeteren en vredesvisioenen voor haar zien, terwijl er geen vrede is, zegt de Heer HEER.

17

Evenzo, gij mensenzoon, richt uw aangezicht tegen de dochters van uw volk die profeteren uit hun eigen hart; en profeteer gij tegen hen,