Terug naar Ezechiël 13
VSV
Statenvertaling

Ezechiël 13:14

Zo zal Ik de muur die gij bestreken hebt met ongebluste kalk afbreken, en hem ter aarde werpen, zodat zijn fundament blootgelegd wordt; hij zal vallen, en gij zult daarin omkomen; en gij zult weten dat Ik de HEER ben.

Kruisverwijzingen

Context

Ezechiël 13 — omringende verzen

9

Mijn hand zal zijn tegen de profeten die ijdelheid zien en leugens waarzeggen: zij zullen niet zijn in de vergadering van Mijn volk, noch ingeschreven worden in het register van het huis Israëls, noch in het land Israëls ingaan; en gij zult weten dat Ik de Heer HEER ben.

10

Omdat, ja omdat zij Mijn volk verleid hebben, zeggende: Vrede; terwijl er geen vrede was; en de een bouwde een muur op, en zie, anderen bestreken hem met ongebluste kalk;

11

Zeg tot degenen die hem bestrijken met ongebluste kalk, dat hij zal vallen: er zal een overstromende regen komen; en gij, O grote hagelstenen, zult vallen; en een stormwind zal hem splijten.

12

Zie, wanneer de muur gevallen is, zal men niet tot u zeggen: Waar is de bepleistering waarmee gij hem bestreken hebt?

13

Daarom zegt de Heer HEER aldus: Ik zal hem splijten met een stormwind in Mijn toorn; en er zal een overstromende regen zijn in Mijn gramschap, en grote hagelstenen in Mijn toorn om hem te verteren.

14

Zo zal Ik de muur die gij bestreken hebt met ongebluste kalk afbreken, en hem ter aarde werpen, zodat zijn fundament blootgelegd wordt; hij zal vallen, en gij zult daarin omkomen; en gij zult weten dat Ik de HEER ben.

15

Zo zal Ik Mijn gramschap voltooien aan de muur en aan hen die hem bestreken hebben met ongebluste kalk, en zal tot u zeggen: De muur is er niet meer, en zij die hem bestreken hebben evenmin;

16

Namelijk de profeten van Israël die over Jeruzalem profeteren en vredesvisioenen voor haar zien, terwijl er geen vrede is, zegt de Heer HEER.

17

Evenzo, gij mensenzoon, richt uw aangezicht tegen de dochters van uw volk die profeteren uit hun eigen hart; en profeteer gij tegen hen,

18

En zeg: Zo zegt de Heer HEER: Wee de vrouwen die kussens naaien voor alle oksels, en hoofddoeken maken voor het hoofd van mensen van allerlei gestalte om zielen te vangen! Wilt gij de zielen van Mijn volk vangen, en de zielen levend behouden die tot u komen?

19

En wilt gij Mij ontheiligen onder Mijn volk voor handenvol gerst en voor stukken brood, om zielen te doden die niet sterven mochten, en zielen levend te houden die niet leven mochten, door uw leugens aan Mijn volk dat uw leugens hoort?