Ezechiël 13:19
“En wilt gij Mij ontheiligen onder Mijn volk voor handenvol gerst en voor stukken brood, om zielen te doden die niet sterven mochten, en zielen levend te houden die niet leven mochten, door uw leugens aan Mijn volk dat uw leugens hoort?”
Kruisverwijzingen
Context
Ezechiël 13 — omringende verzen
Zo zal Ik de muur die gij bestreken hebt met ongebluste kalk afbreken, en hem ter aarde werpen, zodat zijn fundament blootgelegd wordt; hij zal vallen, en gij zult daarin omkomen; en gij zult weten dat Ik de HEER ben.
15Zo zal Ik Mijn gramschap voltooien aan de muur en aan hen die hem bestreken hebben met ongebluste kalk, en zal tot u zeggen: De muur is er niet meer, en zij die hem bestreken hebben evenmin;
16Namelijk de profeten van Israël die over Jeruzalem profeteren en vredesvisioenen voor haar zien, terwijl er geen vrede is, zegt de Heer HEER.
17Evenzo, gij mensenzoon, richt uw aangezicht tegen de dochters van uw volk die profeteren uit hun eigen hart; en profeteer gij tegen hen,
18En zeg: Zo zegt de Heer HEER: Wee de vrouwen die kussens naaien voor alle oksels, en hoofddoeken maken voor het hoofd van mensen van allerlei gestalte om zielen te vangen! Wilt gij de zielen van Mijn volk vangen, en de zielen levend behouden die tot u komen?
En wilt gij Mij ontheiligen onder Mijn volk voor handenvol gerst en voor stukken brood, om zielen te doden die niet sterven mochten, en zielen levend te houden die niet leven mochten, door uw leugens aan Mijn volk dat uw leugens hoort?
Daarom zegt de Heer HEER aldus: Zie, Ik kom tegen uw kussens waarmee gij daar zielen vangt om ze te doen wegvliegen, en Ik zal ze van uw armen afscheuren, en de zielen loslaten, ja de zielen die gij vangt om ze te doen wegvliegen.
21Uw hoofddoeken zal Ik ook afscheuren, en Mijn volk uit uw hand redden, en zij zullen niet langer in uw hand zijn om gevangen te worden; en gij zult weten dat Ik de HEER ben.
22Omdat gij door leugens het hart van de rechtvaardige treurig gemaakt hebt, die Ik niet treurig gemaakt heb; en de handen van de goddeloze gesterkt hebt, zodat hij niet zou terugkeren van zijn boze weg, doordat gij hem leven beloofdet:
23Daarom zult gij geen ijdelheid meer zien, noch waarzeggerij bedrijven; want Ik zal Mijn volk uit uw hand redden; en gij zult weten dat Ik de HEER ben.