Ezechiël 20:13
“Maar het huis van Israël kwam tegen Mij in opstand in de woestijn: zij wandelden niet in Mijn inzettingen, en verwierpen Mijn rechten, die, indien een mens die doet, hij daardoor leven zal; en Mijn sabbatten ontheiligden zij zeer: toen zeide Ik, Ik zal Mijn grimmigheid over hen uitgieten in de woestijn, om hen te verteren.”
Kruisverwijzingen
Context
Ezechiël 20 — omringende verzen
Maar zij kwamen tegen Mij in opstand, en wilden naar Mij niet horen: zij wierpen niet weg, ieder de gruwelen zijner ogen, noch verlieten zij de afgoden van Egypte: toen zeide Ik, Ik zal Mijn grimmigheid over hen uitgieten, om Mijn toorn tegen hen te voltooien in het midden van het land Egypte.
9Maar Ik handelde omwille van Mijn naam, opdat die niet ontheiligd zou worden voor de heidenen, te midden van wie zij waren, in wier ogen Ik Mij aan hen bekendgemaakt had, door hen uit het land Egypte te leiden.
10Daarom deed Ik hen uitgaan uit het land Egypte, en bracht hen in de woestijn.
11En Ik gaf hun Mijn inzettingen, en deed hun Mijn rechten kennen, die, indien een mens die doet, hij daardoor leven zal.
12Ook gaf Ik hun Mijn sabbatten, om een teken te zijn tussen Mij en hen, opdat zij zouden weten dat Ik de HEER ben, die hen heiligt.
Maar het huis van Israël kwam tegen Mij in opstand in de woestijn: zij wandelden niet in Mijn inzettingen, en verwierpen Mijn rechten, die, indien een mens die doet, hij daardoor leven zal; en Mijn sabbatten ontheiligden zij zeer: toen zeide Ik, Ik zal Mijn grimmigheid over hen uitgieten in de woestijn, om hen te verteren.
Maar Ik handelde omwille van Mijn naam, opdat die niet ontheiligd zou worden voor de heidenen, in wier ogen Ik hen had uitgeleid.
15Ook hief Ik Mijn hand over hen op in de woestijn, dat Ik hen niet zou brengen in het land, dat Ik hun gegeven had, vloeiende van melk en honig, hetgeen de heerlijkheid is van alle landen;
16Omdat zij Mijn rechten verwierpen, en niet wandelden in Mijn inzettingen, maar Mijn sabbatten ontheiligden: want hun hart ging achter hun afgoden aan.
17Nochtans spaarde Mijn oog hen, zodat Ik hen niet verdelgde, en Ik maakte geen einde aan hen in de woestijn.
18Maar Ik zeide tot hun kinderen in de woestijn: Wandelt niet in de inzettingen van uw vaderen, en onderhoudt hun rechten niet, en verontreinigt uzelf niet met hun afgoden: