Terug naar Ezechiël 23
VSV
Statenvertaling

Ezechiël 23:22

Daarom, o Oholiba, zo zegt de Heere HEER: Zie, Ik zal uw minnaars tegen u verwekken, van wie uw ziel vervreemd is, en Ik zal hen van alle kanten tegen u doen komen:

Kruisverwijzingen

Context

Ezechiël 23 — omringende verzen

17

En de Babyloniërs kwamen tot haar in het liefdesleger, en zij verontreinigden haar met hun hoererij; en zij werd door hen verontreinigd, en haar ziel raakte van hen vervreemd.

18

Zo ontblootte zij haar hoererijen en ontblootte haar schaamte; toen raakte Mijn ziel van haar vervreemd, zoals Mijn ziel van haar zuster vervreemd was geraakt.

19

Toch vermenigvuldigde zij haar hoererijen, door te gedenken aan de dagen van haar jeugd, waarin zij gehoereerd had in het land Egypte.

20

Want zij was verliefd op hun bijslapers, wier vlees is als het vlees van ezels en wier vloeiing is als de vloeiing van paarden.

21

Zo riept gij de schandelijkheid van uw jeugd in gedachtenis, toen de Egyptenaren uw borsten betastten vanwege de tepels van uw jeugd.

22

Daarom, o Oholiba, zo zegt de Heere HEER: Zie, Ik zal uw minnaars tegen u verwekken, van wie uw ziel vervreemd is, en Ik zal hen van alle kanten tegen u doen komen:

23

de Babyloniërs en alle Chaldeeën, Pekod en Shoa en Koa, en alle Assyriërs met hen, begeerlijke jongelingen, stadhouders en overheden allen, grote heren en vermaarde mannen, allen rijdende op paarden.

24

En zij zullen tegen u komen met wagens, karren en wielen, en met een schare van volken; rondschild en schild en helm zullen zij rondom tegen u opstellen; en Ik zal hun het oordeel voorleggen, en zij zullen u oordelen naar hun oordelen.

25

En Ik zal Mijn ijver tegen u richten, en zij zullen grimmig met u handelen; zij zullen uw neus en uw oren afsnijden, en uw overblijfsel zal door het zwaard vallen; zij zullen uw zonen en uw dochters wegnemen, en uw overblijfsel zal door het vuur verteerd worden.

26

Ook zullen zij u uw kleren uittrekken en uw fraaie sieraden wegnemen.

27

Zo zal Ik een einde maken aan uw schandelijkheid en aan uw hoererij uit het land Egypte, zodat gij uw ogen niet meer tot hen zult opheffen en Egypte niet meer zult gedenken.