Ezechiël 27:4
“Uw grenzen liggen midden in de zeeën, uw bouwers hebben uw schoonheid volmaakt gemaakt.”
Kruisverwijzingen
Context
Ezechiël 27 — omringende verzen
Het woord van de HEERE kwam wederom tot mij, zeggende:
2En u, mensenkind, hef een klaaglied aan over Tyrus;
3En zeg tot Tyrus: O gij die gelegen zijt aan de ingang van de zee, die een handelaar zijt van de volken voor vele eilanden, zo zegt de Heer HEERE: O Tyrus, u hebt gezegd: Ik ben volmaakt van schoonheid.
Uw grenzen liggen midden in de zeeën, uw bouwers hebben uw schoonheid volmaakt gemaakt.
Zij hebben al uw scheepsplanken gemaakt van dennenbomen van Senir; zij hebben ceders uit de Libanon gehaald om masten voor u te maken.
6Van de eiken van Basan hebben zij uw roeiriemen gemaakt; het gezelschap der Asurieten heeft uw banken van ivoor gemaakt, aangebracht uit de eilanden van Chittim.
7Fijn linnen met borduurwerk uit Egypte was hetgeen gij uitspreiddet als uw zeil; blauw en purper van de eilanden van Elisa was hetgeen u bedekte.
8De inwoners van Sidon en Arvad waren uw zeelieden; uw wijzen, o Tyrus, die in u waren, waren uw stuurlieden.
9De oudsten van Gebal en haar wijzen waren in u als uw breeuiers; alle schepen der zee met hun zeelieden waren in u om uw koopwaar te verhandelen.