Ezechiël 3:27
“Maar wanneer Ik met u spreken zal, zal Ik uw mond openen, en u zult tot hen zeggen: Zo zegt de Heer HEER: Wie hoort, die hore; en wie nalaat, die late na; want zij zijn een weerspannig huis.”
Kruisverwijzingen
Context
Ezechiël 3 — omringende verzen
En de hand des HEREN was daar op mij; en Hij zeide tot mij: Sta op, ga naar buiten in de vlakte, en Ik zal daar met u spreken.
23Toen stond ik op en ging naar buiten, de vlakte in; en zie, de heerlijkheid van de HEER stond daar, zoals de heerlijkheid die ik bij de rivier de Kebar had gezien; en ik viel op mijn aangezicht.
24Toen voer de Geest in mij en zette mij op mijn voeten, en Hij sprak met mij en zei tot mij: Ga, sluit u op in uw huis.
25Maar u, o mensenkind, zie, zij zullen banden om u leggen en u daarmee binden, zodat u niet onder hen uit kunt gaan.
26En Ik zal uw tong aan uw gehemelte doen kleven, zodat u stom zult zijn en hun geen bestraffer zult zijn; want zij zijn een weerspannig huis.
Maar wanneer Ik met u spreken zal, zal Ik uw mond openen, en u zult tot hen zeggen: Zo zegt de Heer HEER: Wie hoort, die hore; en wie nalaat, die late na; want zij zijn een weerspannig huis.