Terug naar Ezechiël 3
VSV
Statenvertaling

Ezechiël 3:23

Toen stond ik op en ging naar buiten, de vlakte in; en zie, de heerlijkheid van de HEER stond daar, zoals de heerlijkheid die ik bij de rivier de Kebar had gezien; en ik viel op mijn aangezicht.

Kruisverwijzingen

Context

Ezechiël 3 — omringende verzen

18

Wanneer Ik tot de goddeloze zeg: Gij zult zeker sterven; en gij hem niet waarschuwt, noch spreekt om de goddeloze te waarschuwen van zijn goddeloze weg, om zijn leven te behouden; dezelfde goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven; maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.

19

Maar indien gij de goddeloze waarschuwt en hij zich niet bekeert van zijn goddeloosheid noch van zijn goddeloze weg, zal hij in zijn ongerechtigheid sterven; maar gij hebt uw ziel gered.

20

Wederom, wanneer een rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid en ongerechtigheid bedrijft, en Ik een struikelblok voor hem leg, zal hij sterven; omdat gij hem geen waarschuwing gegeven hebt, zal hij in zijn zonde sterven, en zijn gerechtvaardige werken die hij gedaan heeft, zullen niet worden herdacht; maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.

21

Maar indien gij de rechtvaardige waarschuwt, opdat de rechtvaardige niet zondige, en hij zondigt niet, zal hij zeker leven, omdat hij gewaarschuwd is; en gij hebt ook uw ziel gered.

22

En de hand des HEREN was daar op mij; en Hij zeide tot mij: Sta op, ga naar buiten in de vlakte, en Ik zal daar met u spreken.

23

Toen stond ik op en ging naar buiten, de vlakte in; en zie, de heerlijkheid van de HEER stond daar, zoals de heerlijkheid die ik bij de rivier de Kebar had gezien; en ik viel op mijn aangezicht.

24

Toen voer de Geest in mij en zette mij op mijn voeten, en Hij sprak met mij en zei tot mij: Ga, sluit u op in uw huis.

25

Maar u, o mensenkind, zie, zij zullen banden om u leggen en u daarmee binden, zodat u niet onder hen uit kunt gaan.

26

En Ik zal uw tong aan uw gehemelte doen kleven, zodat u stom zult zijn en hun geen bestraffer zult zijn; want zij zijn een weerspannig huis.

27

Maar wanneer Ik met u spreken zal, zal Ik uw mond openen, en u zult tot hen zeggen: Zo zegt de Heer HEER: Wie hoort, die hore; en wie nalaat, die late na; want zij zijn een weerspannig huis.