Terug naar Ezechiël 31
VSV
Statenvertaling

Ezechiël 31:9

Ik heb hem schoon gemaakt door de menigte van zijn takken; zodat alle bomen van Eden, die in de hof van God waren, hem benijdden.

Kruisverwijzingen

Context

Ezechiël 31 — omringende verzen

4

De wateren maakten hem groot; de diepte verhief hem hoog met haar stromen die rondom zijn planten liepen, en zond haar beekjes naar alle bomen des velds.

5

Daarom werd zijn hoogte verheven boven alle bomen des velds, en zijn twijgen werden talrijk en zijn takken lang door de overvloed van wateren, toen hij uitschoot.

6

Alle vogels des hemels maakten hun nesten in zijn twijgen, en onder zijn takken brachten alle dieren des velds hun jongen voort, en in zijn schaduw woonden alle grote volken.

7

Zo was hij schoon in zijn grootheid, in de lengte van zijn takken; want zijn wortel was bij grote wateren.

8

De ceders in de hof van God konden hem niet overtreffen; de cipressenstruiken waren zijn twijgen niet gelijk, en de plataanbomen waren zijn takken niet gelijk; geen enkele boom in de hof van God was hem gelijk in schoonheid.

9

Ik heb hem schoon gemaakt door de menigte van zijn takken; zodat alle bomen van Eden, die in de hof van God waren, hem benijdden.

10

Daarom zegt de Heere HEERE aldus: Omdat u uzelf verheven hebt in hoogte en hij zijn top tussen de dichte twijgen heeft uitgeschoten en zijn hart hoogmoedig werd in zijn hoogte,

11

heb Ik hem dan ook overgegeven in de hand van de machtigste der heidenen; hij zal zeker met hem handelen; Ik heb hem weggedreven vanwege zijn goddeloosheid.

12

En vreemden, de verschrikkelijksten der volken, hebben hem afgehouwen en hem verlaten; op de bergen en in alle dalen zijn zijn takken gevallen en zijn twijgen gebroken door alle rivieren des lands; en al de volken der aarde zijn weggegaan van zijn schaduw en hebben hem verlaten.

13

Op zijn ruïne zullen alle vogels des hemels verblijven, en alle dieren des velds zullen op zijn takken zijn.

14

Opdat geen van alle bomen bij de wateren zichzelf verheffe vanwege zijn hoogte, noch zijn top uitscheete tussen de dichte twijgen, noch hun bomen oprijzen in hun hoogte, al diegenen die water drinken; want zij zijn allen overgegeven aan de dood, aan de diepste delen der aarde, temidden van de mensenkinderen, bij hen die neerdalen in de kuil.