Ezechiël 31:6
“Alle vogels des hemels maakten hun nesten in zijn twijgen, en onder zijn takken brachten alle dieren des velds hun jongen voort, en in zijn schaduw woonden alle grote volken.”
Kruisverwijzingen
Context
Ezechiël 31 — omringende verzen
En het geschiedde in het elfde jaar, in de derde maand, op de eerste dag der maand, dat het woord des HEEREN tot mij kwam, zeggende:
2Mensenkind, spreek tot Farao, de koning van Egypte, en tot zijn menigte: Aan wie bent u gelijk in uw grootheid?
3Zie, de Assyriër was een ceder in de Libanon met schone takken en een dicht lommer, en hij was van hoge gestalte; zijn top was tussen de dichte twijgen.
4De wateren maakten hem groot; de diepte verhief hem hoog met haar stromen die rondom zijn planten liepen, en zond haar beekjes naar alle bomen des velds.
5Daarom werd zijn hoogte verheven boven alle bomen des velds, en zijn twijgen werden talrijk en zijn takken lang door de overvloed van wateren, toen hij uitschoot.
Alle vogels des hemels maakten hun nesten in zijn twijgen, en onder zijn takken brachten alle dieren des velds hun jongen voort, en in zijn schaduw woonden alle grote volken.
Zo was hij schoon in zijn grootheid, in de lengte van zijn takken; want zijn wortel was bij grote wateren.
8De ceders in de hof van God konden hem niet overtreffen; de cipressenstruiken waren zijn twijgen niet gelijk, en de plataanbomen waren zijn takken niet gelijk; geen enkele boom in de hof van God was hem gelijk in schoonheid.
9Ik heb hem schoon gemaakt door de menigte van zijn takken; zodat alle bomen van Eden, die in de hof van God waren, hem benijdden.
10Daarom zegt de Heere HEERE aldus: Omdat u uzelf verheven hebt in hoogte en hij zijn top tussen de dichte twijgen heeft uitgeschoten en zijn hart hoogmoedig werd in zijn hoogte,
11heb Ik hem dan ook overgegeven in de hand van de machtigste der heidenen; hij zal zeker met hem handelen; Ik heb hem weggedreven vanwege zijn goddeloosheid.