Terug naar Ezechiël 33
VSV
Statenvertaling

Ezechiël 33:12

Daarom, mensenkind, zeg tot de kinderen van uw volk: De gerechtigheid van de rechtvaardige zal hem niet redden in de dag van zijn overtreding; en wat de goddeloosheid van de goddeloze betreft, hij zal daarin niet vallen in de dag dat hij zich van zijn goddeloosheid bekeert; en de rechtvaardige zal niet kunnen leven door zijn gerechtigheid in de dag dat hij zondigt.

Kruisverwijzingen

Context

Ezechiël 33 — omringende verzen

7

Zo dan, o mensenkind, Ik heb u aangesteld als wachter voor het huis van Israël; gij zult dus het woord uit Mijn mond horen en hen namens Mij waarschuwen.

8

Wanneer Ik tot de goddeloze zeg: O goddeloze, gij zult zeker sterven; en gij spreekt niet om de goddeloze van zijn weg te waarschuwen, dan zal die goddeloze sterven in zijn ongerechtheid, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.

9

Maar indien gij de goddeloze waarschuwt van zijn weg om zich daarvan te bekeren, en hij zich niet van zijn weg bekeert, dan zal hij sterven in zijn ongerechtheid; maar gij hebt uw ziel gered.

10

Daarom, o mensenkind, zeg tot het huis van Israël: Zo spreekt gij, zeggende: Indien onze overtredingen en onze zonden op ons zijn, en wij daarin wegkwijnen, hoe zouden wij dan leven?

11

Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, zegt de Heer HEER, Ik heb geen behagen in de dood van de goddeloze; maar dat de goddeloze zich bekeert van zijn weg en leeft. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen; want waarom zoudt gij sterven, o huis van Israël?

12

Daarom, mensenkind, zeg tot de kinderen van uw volk: De gerechtigheid van de rechtvaardige zal hem niet redden in de dag van zijn overtreding; en wat de goddeloosheid van de goddeloze betreft, hij zal daarin niet vallen in de dag dat hij zich van zijn goddeloosheid bekeert; en de rechtvaardige zal niet kunnen leven door zijn gerechtigheid in de dag dat hij zondigt.

13

Wanneer Ik tot de rechtvaardige zeg dat hij zeker zal leven, en hij vertrouwt op zijn eigen gerechtigheid en begaat ongerechtigheid, dan zullen al zijn gerechtigheden niet meer herdacht worden; maar om de ongerechtigheid die hij heeft begaan, zal hij daarvoor sterven.

14

En wanneer Ik wederom tot de goddeloze zeg: Gij zult zeker sterven; indien hij zich bekeert van zijn zonde en doet wat recht en billijk is,

15

indien de goddeloze het pand teruggeeft, het geroofde vergoedt, wandelt in de inzettingen des levens, zonder ongerechtigheid te begaan, dan zal hij zeker leven; hij zal niet sterven.

16

Geen van zijn zonden die hij heeft begaan, zullen hem worden toegerekend; hij heeft gedaan wat recht en billijk is; hij zal zeker leven.

17

Toch zeggen de kinderen van uw volk: De weg des Heren is niet recht; maar hun eigen weg is het die niet recht is.