Terug naar Ezechiël 33
VSV
Statenvertaling

Ezechiël 33:7

Zo dan, o mensenkind, Ik heb u aangesteld als wachter voor het huis van Israël; gij zult dus het woord uit Mijn mond horen en hen namens Mij waarschuwen.

Kruisverwijzingen

Context

Ezechiël 33 — omringende verzen

2

Mensenkind, spreek tot de kinderen van uw volk, en zeg tot hen: Wanneer Ik het zwaard over een land breng, en het volk van dat land neemt een man uit hun midden en stelt hem aan als wachter,

3

en hij het zwaard ziet komen over het land, en hij blaast op de bazuin en waarschuwt het volk,

4

dan zal een ieder die het geluid van de bazuin hoort, doch zich niet laat waarschuwen, als het zwaard komt en hem wegneemt, zijn bloed op zijn eigen hoofd zijn.

5

Hij heeft het geluid van de bazuin gehoord, maar heeft zich niet laten waarschuwen; zijn bloed is op hem. Maar wie zich laat waarschuwen, zal zijn ziel behouden.

6

Maar indien de wachter het zwaard ziet komen en niet op de bazuin blaast, zodat het volk niet gewaarschuwd wordt, en het zwaard komt en neemt iemand van hen weg, dan is die weggenomen om zijn ongerechtheid; maar zijn bloed zal Ik van de hand des wachters eisen.

7

Zo dan, o mensenkind, Ik heb u aangesteld als wachter voor het huis van Israël; gij zult dus het woord uit Mijn mond horen en hen namens Mij waarschuwen.

8

Wanneer Ik tot de goddeloze zeg: O goddeloze, gij zult zeker sterven; en gij spreekt niet om de goddeloze van zijn weg te waarschuwen, dan zal die goddeloze sterven in zijn ongerechtheid, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.

9

Maar indien gij de goddeloze waarschuwt van zijn weg om zich daarvan te bekeren, en hij zich niet van zijn weg bekeert, dan zal hij sterven in zijn ongerechtheid; maar gij hebt uw ziel gered.

10

Daarom, o mensenkind, zeg tot het huis van Israël: Zo spreekt gij, zeggende: Indien onze overtredingen en onze zonden op ons zijn, en wij daarin wegkwijnen, hoe zouden wij dan leven?

11

Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, zegt de Heer HEER, Ik heb geen behagen in de dood van de goddeloze; maar dat de goddeloze zich bekeert van zijn weg en leeft. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen; want waarom zoudt gij sterven, o huis van Israël?

12

Daarom, mensenkind, zeg tot de kinderen van uw volk: De gerechtigheid van de rechtvaardige zal hem niet redden in de dag van zijn overtreding; en wat de goddeloosheid van de goddeloze betreft, hij zal daarin niet vallen in de dag dat hij zich van zijn goddeloosheid bekeert; en de rechtvaardige zal niet kunnen leven door zijn gerechtigheid in de dag dat hij zondigt.