Terug naar Ezechiël 33
VSV
Statenvertaling

Ezechiël 33:19

Maar indien de goddeloze zich bekeert van zijn goddeloosheid en doet wat recht en billijk is, dan zal hij daardoor leven.

Kruisverwijzingen

Context

Ezechiël 33 — omringende verzen

14

En wanneer Ik wederom tot de goddeloze zeg: Gij zult zeker sterven; indien hij zich bekeert van zijn zonde en doet wat recht en billijk is,

15

indien de goddeloze het pand teruggeeft, het geroofde vergoedt, wandelt in de inzettingen des levens, zonder ongerechtigheid te begaan, dan zal hij zeker leven; hij zal niet sterven.

16

Geen van zijn zonden die hij heeft begaan, zullen hem worden toegerekend; hij heeft gedaan wat recht en billijk is; hij zal zeker leven.

17

Toch zeggen de kinderen van uw volk: De weg des Heren is niet recht; maar hun eigen weg is het die niet recht is.

18

Wanneer de rechtvaardige zich van zijn gerechtigheid afkeert en ongerechtigheid begaat, dan zal hij daardoor sterven.

19

Maar indien de goddeloze zich bekeert van zijn goddeloosheid en doet wat recht en billijk is, dan zal hij daardoor leven.

20

Toch zegt gij: De weg des Heren is niet recht. O huis van Israël, Ik zal u oordelen, een ieder naar zijn wegen.

21

En het geschiedde in het twaalfde jaar van onze ballingschap, in de tiende maand, op de vijfde dag der maand, dat iemand die ontkomen was uit Jeruzalem tot mij kwam, zeggende: De stad is geslagen.

22

Nu was de hand des HEREN op mij in de avond, voordat de ontvluchte was gekomen; en Hij had mijn mond geopend, totdat hij in de morgen tot mij kwam; en mijn mond werd geopend, en ik was niet langer stom.

23

Toen kwam het woord des HEREN tot mij, zeggende:

24

Mensenkind, zij die die woeste plaatsen van het land Israël bewonen, spreken zeggende: Abraham was één, en hij bezat het land; maar wij zijn velen; ons is het land ter erfenis gegeven.