Terug naar Ezechiël 36
VSV
Statenvertaling

Ezechiël 36:11

En Ik zal mensen en vee op u vermenigvuldigen, en zij zullen toenemen en vrucht dragen; en Ik zal u bewonen doen zoals van ouds, en Ik zal meer goed aan u doen dan in uw beginne; en gij zult weten dat Ik de HEERE ben.

Kruisverwijzingen

Context

Ezechiël 36 — omringende verzen

6

Profeteer dan over het land Israël, en zeg tot de bergen en tot de heuvelen, tot de stromen en tot de dalen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik heb gesproken in Mijn ijver en in Mijn grimmigheid, omdat gij de schande der heidenen gedragen hebt;

7

Daarom zegt de Heere HEERE aldus: Ik heb Mijn hand opgeheven; voorwaar, de heidenen die rondom u zijn, zij zullen hun schande dragen.

8

Maar gij, O bergen Israëls, gij zult uw takken uitspruiten en uw vrucht voortbrengen voor Mijn volk Israël; want zij zijn nabij om te komen.

9

Want zie, Ik ben voor u, en Ik zal Mij tot u wenden, en gij zult bebouwd en bezaaid worden;

10

En Ik zal mensen op u vermenigvuldigen, het ganse huis Israëls, ja, het geheel; en de steden zullen bewoond worden, en de verwoeste plaatsen zullen herbouwd worden;

11

En Ik zal mensen en vee op u vermenigvuldigen, en zij zullen toenemen en vrucht dragen; en Ik zal u bewonen doen zoals van ouds, en Ik zal meer goed aan u doen dan in uw beginne; en gij zult weten dat Ik de HEERE ben.

12

Ja, Ik zal mensen op u doen wandelen, Mijn volk Israël; en zij zullen u bezitten, en gij zult hun erfdeel zijn, en gij zult hen voortaan niet meer van kinderen beroven.

13

Zo zegt de Heere HEERE: Omdat men tot u zegt: Gij land, gij verteert mensen en hebt uw volken van kinderen beroofd;

14

Daarom zult gij mensen niet meer verteren, en uw volken niet meer van kinderen beroven, zegt de Heere HEERE.

15

En Ik zal niet meer toelaten dat men de schande der heidenen over u hoort, en gij zult de smaad der volken niet meer dragen, en gij zult uw volken niet meer doen vallen, zegt de Heere HEERE.

16

Voorts geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende: