Ezechiël 36:13
“Zo zegt de Heere HEERE: Omdat men tot u zegt: Gij land, gij verteert mensen en hebt uw volken van kinderen beroofd;”
Kruisverwijzingen
Context
Ezechiël 36 — omringende verzen
Maar gij, O bergen Israëls, gij zult uw takken uitspruiten en uw vrucht voortbrengen voor Mijn volk Israël; want zij zijn nabij om te komen.
9Want zie, Ik ben voor u, en Ik zal Mij tot u wenden, en gij zult bebouwd en bezaaid worden;
10En Ik zal mensen op u vermenigvuldigen, het ganse huis Israëls, ja, het geheel; en de steden zullen bewoond worden, en de verwoeste plaatsen zullen herbouwd worden;
11En Ik zal mensen en vee op u vermenigvuldigen, en zij zullen toenemen en vrucht dragen; en Ik zal u bewonen doen zoals van ouds, en Ik zal meer goed aan u doen dan in uw beginne; en gij zult weten dat Ik de HEERE ben.
12Ja, Ik zal mensen op u doen wandelen, Mijn volk Israël; en zij zullen u bezitten, en gij zult hun erfdeel zijn, en gij zult hen voortaan niet meer van kinderen beroven.
Zo zegt de Heere HEERE: Omdat men tot u zegt: Gij land, gij verteert mensen en hebt uw volken van kinderen beroofd;
Daarom zult gij mensen niet meer verteren, en uw volken niet meer van kinderen beroven, zegt de Heere HEERE.
15En Ik zal niet meer toelaten dat men de schande der heidenen over u hoort, en gij zult de smaad der volken niet meer dragen, en gij zult uw volken niet meer doen vallen, zegt de Heere HEERE.
16Voorts geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
17Mensenkind, toen het huis Israëls woonde in hun eigen land, verontreinigden zij het door hun weg en door hun daden; hun weg was voor Mijn aangezicht als de onreinheid van een afgezonderde vrouw.
18Daarom heb Ik Mijn grimmigheid over hen uitgestort om het bloed dat zij op het land vergoten hadden, en om de afgoden waarmede zij het verontreinigd hadden;