Ezechiël 36:17
“Mensenkind, toen het huis Israëls woonde in hun eigen land, verontreinigden zij het door hun weg en door hun daden; hun weg was voor Mijn aangezicht als de onreinheid van een afgezonderde vrouw.”
Kruisverwijzingen
Context
Ezechiël 36 — omringende verzen
Ja, Ik zal mensen op u doen wandelen, Mijn volk Israël; en zij zullen u bezitten, en gij zult hun erfdeel zijn, en gij zult hen voortaan niet meer van kinderen beroven.
13Zo zegt de Heere HEERE: Omdat men tot u zegt: Gij land, gij verteert mensen en hebt uw volken van kinderen beroofd;
14Daarom zult gij mensen niet meer verteren, en uw volken niet meer van kinderen beroven, zegt de Heere HEERE.
15En Ik zal niet meer toelaten dat men de schande der heidenen over u hoort, en gij zult de smaad der volken niet meer dragen, en gij zult uw volken niet meer doen vallen, zegt de Heere HEERE.
16Voorts geschiedde het woord des HEEREN tot mij, zeggende:
Mensenkind, toen het huis Israëls woonde in hun eigen land, verontreinigden zij het door hun weg en door hun daden; hun weg was voor Mijn aangezicht als de onreinheid van een afgezonderde vrouw.
Daarom heb Ik Mijn grimmigheid over hen uitgestort om het bloed dat zij op het land vergoten hadden, en om de afgoden waarmede zij het verontreinigd hadden;
19En Ik heb hen verstrooid onder de heidenen, en zij zijn verspreid door de landen; naar hun weg en naar hun daden heb Ik hen geoordeeld.
20En toen zij tot de heidenen kwamen, waarheen zij gingen, ontheiligden zij Mijn heilige Naam, want men zeide van hen: Dezen zijn het volk des HEEREN, maar zij zijn uit Zijn land uitgegaan.
21Doch Ik spaarde om Mijn heilige Naam, dien het huis Israëls ontheiligd had onder de heidenen, waarheen zij gegaan waren.
22Zeg daarom tot het huis Israëls: Zo zegt de Heere HEERE: Ik doe dit niet om uwentwil, O huis Israëls, maar om Mijn heilige Naam, dien gij ontheiligd hebt onder de heidenen, waarheen gij gegaan zijt.