Terug naar Ezechiël 37
VSV
Statenvertaling

Ezechiël 37:13

En gij zult weten dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik uw graven geopend heb, O Mijn volk, en u uit uw graven heb opgevoerd;

Kruisverwijzingen

Context

Ezechiël 37 — omringende verzen

8

En toen ik zag, zie, er waren spieren op hen, en het vlees was opgekomen, en de huid had hen van boven bedekt; maar er was geen adem in hen.

9

Toen zeide Hij tot mij: Profeteer tot de wind, profeteer, mensenkind, en zeg tot de wind: Zo zegt de Heere HEERE: Kom van de vier winden, O adem, en blaas in deze gedoden, opdat zij herleven.

10

Dus profeteerde ik zoals Hij mij gebood, en de adem kwam in hen, en zij herleefden en stonden op hun voeten, een uitermate groot leger.

11

Toen zeide Hij tot mij: Mensenkind, deze beenderen zijn het ganse huis Israëls; zie, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is verloren; wij zijn afgesneden.

12

Profeteer daarom en zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, O Mijn volk, Ik zal uw graven openen, en u uit uw graven doen opgaan, en u in het land Israëls brengen.

13

En gij zult weten dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik uw graven geopend heb, O Mijn volk, en u uit uw graven heb opgevoerd;

14

En Ik zal Mijn Geest in u geven, en gij zult herleven, en Ik zal u zetten in uw eigen land; dan zult gij weten dat Ik, de HEERE, het gesproken en gedaan heb, zegt de HEERE.

15

Het woord des HEEREN geschiedde wederom tot mij, zeggende:

16

En gij, mensenkind, neem u een stok, en schrijf daarop: Voor Juda en voor de kinderen Israëls, zijn metgezellen; neem dan een andere stok en schrijf daarop: Voor Jozef, de stok van Efraïm, en voor het ganse huis Israëls, zijn metgezellen;

17

En voeg ze de een bij de ander tot één stok, en zij zullen één worden in uw hand.

18

En wanneer de kinderen van uw volk tot u spreken, zeggende: Zult gij ons niet te kennen geven wat gij hiermee bedoelt?