Terug naar Ezechiël 37
VSV
Statenvertaling

Ezechiël 37:9

Toen zeide Hij tot mij: Profeteer tot de wind, profeteer, mensenkind, en zeg tot de wind: Zo zegt de Heere HEERE: Kom van de vier winden, O adem, en blaas in deze gedoden, opdat zij herleven.

Kruisverwijzingen

Context

Ezechiël 37 — omringende verzen

4

Wederom zeide Hij tot mij: Profeteer over deze beenderen, en zeg tot hen: O gij dorre beenderen, hoort het woord des HEEREN.

5

Zo zegt de Heere HEERE tot deze beenderen: Zie, Ik zal de adem in u brengen, en gij zult herleven;

6

En Ik zal spieren op u leggen, en vlees op u doen opkomen, en u met huid overtrekken, en de adem in u geven, en gij zult herleven; en gij zult weten dat Ik de HEERE ben.

7

Dus profeteerde ik zoals mij bevolen was; en terwijl ik profeteerde, was er een geluid, en zie, een beweging; en de beenderen kwamen samen, been bij zijn been.

8

En toen ik zag, zie, er waren spieren op hen, en het vlees was opgekomen, en de huid had hen van boven bedekt; maar er was geen adem in hen.

9

Toen zeide Hij tot mij: Profeteer tot de wind, profeteer, mensenkind, en zeg tot de wind: Zo zegt de Heere HEERE: Kom van de vier winden, O adem, en blaas in deze gedoden, opdat zij herleven.

10

Dus profeteerde ik zoals Hij mij gebood, en de adem kwam in hen, en zij herleefden en stonden op hun voeten, een uitermate groot leger.

11

Toen zeide Hij tot mij: Mensenkind, deze beenderen zijn het ganse huis Israëls; zie, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is verloren; wij zijn afgesneden.

12

Profeteer daarom en zeg tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, O Mijn volk, Ik zal uw graven openen, en u uit uw graven doen opgaan, en u in het land Israëls brengen.

13

En gij zult weten dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik uw graven geopend heb, O Mijn volk, en u uit uw graven heb opgevoerd;

14

En Ik zal Mijn Geest in u geven, en gij zult herleven, en Ik zal u zetten in uw eigen land; dan zult gij weten dat Ik, de HEERE, het gesproken en gedaan heb, zegt de HEERE.