Terug naar Ezechiël 37
VSV
Statenvertaling

Ezechiël 37:6

En Ik zal spieren op u leggen, en vlees op u doen opkomen, en u met huid overtrekken, en de adem in u geven, en gij zult herleven; en gij zult weten dat Ik de HEERE ben.

Kruisverwijzingen

Context

Ezechiël 37 — omringende verzen

1

De hand des HEEREN was op mij, en Hij voerde mij uit in de Geest des HEEREN, en zette mij neder in het midden van een vallei, die vol beenderen was;

2

En Hij deed mij rondom aan dezelve voorbijgaan; en zie, er waren zeer vele beenderen op de bodem van de vallei, en zie, zij waren zeer dor.

3

En Hij zeide tot mij: Mensenkind, zullen deze beenderen herleven? En ik antwoordde: O Heere HEERE, Gij weet het.

4

Wederom zeide Hij tot mij: Profeteer over deze beenderen, en zeg tot hen: O gij dorre beenderen, hoort het woord des HEEREN.

5

Zo zegt de Heere HEERE tot deze beenderen: Zie, Ik zal de adem in u brengen, en gij zult herleven;

6

En Ik zal spieren op u leggen, en vlees op u doen opkomen, en u met huid overtrekken, en de adem in u geven, en gij zult herleven; en gij zult weten dat Ik de HEERE ben.

7

Dus profeteerde ik zoals mij bevolen was; en terwijl ik profeteerde, was er een geluid, en zie, een beweging; en de beenderen kwamen samen, been bij zijn been.

8

En toen ik zag, zie, er waren spieren op hen, en het vlees was opgekomen, en de huid had hen van boven bedekt; maar er was geen adem in hen.

9

Toen zeide Hij tot mij: Profeteer tot de wind, profeteer, mensenkind, en zeg tot de wind: Zo zegt de Heere HEERE: Kom van de vier winden, O adem, en blaas in deze gedoden, opdat zij herleven.

10

Dus profeteerde ik zoals Hij mij gebood, en de adem kwam in hen, en zij herleefden en stonden op hun voeten, een uitermate groot leger.

11

Toen zeide Hij tot mij: Mensenkind, deze beenderen zijn het ganse huis Israëls; zie, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is verloren; wij zijn afgesneden.