Ezechiël 37:3
“En Hij zeide tot mij: Mensenkind, zullen deze beenderen herleven? En ik antwoordde: O Heere HEERE, Gij weet het.”
Kruisverwijzingen
Context
Ezechiël 37 — omringende verzen
De hand des HEEREN was op mij, en Hij voerde mij uit in de Geest des HEEREN, en zette mij neder in het midden van een vallei, die vol beenderen was;
2En Hij deed mij rondom aan dezelve voorbijgaan; en zie, er waren zeer vele beenderen op de bodem van de vallei, en zie, zij waren zeer dor.
En Hij zeide tot mij: Mensenkind, zullen deze beenderen herleven? En ik antwoordde: O Heere HEERE, Gij weet het.
Wederom zeide Hij tot mij: Profeteer over deze beenderen, en zeg tot hen: O gij dorre beenderen, hoort het woord des HEEREN.
5Zo zegt de Heere HEERE tot deze beenderen: Zie, Ik zal de adem in u brengen, en gij zult herleven;
6En Ik zal spieren op u leggen, en vlees op u doen opkomen, en u met huid overtrekken, en de adem in u geven, en gij zult herleven; en gij zult weten dat Ik de HEERE ben.
7Dus profeteerde ik zoals mij bevolen was; en terwijl ik profeteerde, was er een geluid, en zie, een beweging; en de beenderen kwamen samen, been bij zijn been.
8En toen ik zag, zie, er waren spieren op hen, en het vlees was opgekomen, en de huid had hen van boven bedekt; maar er was geen adem in hen.