Terug naar Ezechiël 39
VSV
Statenvertaling

Ezechiël 39:7

Zo zal Ik Mijn heilige naam bekend maken in het midden van Mijn volk Israël; en Ik zal Mijn heilige naam niet meer laten ontheiligen; en de heidenen zullen weten dat Ik de HEER ben, de Heilige in Israël.

Kruisverwijzingen

Context

Ezechiël 39 — omringende verzen

2

En Ik zal u omwenden en slechts een zesde deel van u overlaten, en Ik zal u doen optrekken uit de diepste streken van het noorden, en u brengen op de bergen van Israël.

3

En Ik zal uw boog uit uw linkerhand slaan, en Ik zal uw pijlen uit uw rechterhand doen vallen.

4

U zult vallen op de bergen van Israël, u en al uw benden, en de volken die met u zijn; Ik zal u geven aan de roofvogels van allerlei soort, en aan de beesten des velds om verslonden te worden.

5

U zult vallen op het open veld; want Ik heb het gesproken, zegt de Heere HEER.

6

En Ik zal een vuur zenden op Magog, en op hen die zorgeloos wonen in de eilanden; en zij zullen weten dat Ik de HEER ben.

7

Zo zal Ik Mijn heilige naam bekend maken in het midden van Mijn volk Israël; en Ik zal Mijn heilige naam niet meer laten ontheiligen; en de heidenen zullen weten dat Ik de HEER ben, de Heilige in Israël.

8

Zie, het is gekomen en het is geschied, zegt de Heere HEER; dit is de dag waarvan Ik gesproken heb.

9

En degenen die in de steden van Israël wonen, zullen uittrekken en de wapens aansteken en verbranden, zowel de rondassen als de schilden, de bogen en de pijlen, en de handstokken en de speren; en zij zullen ze zeven jaar lang met vuur verbranden.

10

Zodat zij geen hout uit het veld zullen halen, noch enig hout uit de wouden kappen; want zij zullen de wapens met vuur verbranden; en zij zullen hen plunderen die hen geplunderd hebben, en beroven wie hen beroofd hebben, zegt de Heere HEER.

11

En het zal te dien dage geschieden, dat Ik aan Gog een begraafplaats zal geven in Israël, het dal der reizigers ten oosten van de zee; en het zal de neus der reizigers verstoppen; en zij zullen daar Gog en al zijn menigte begraven; en zij zullen het noemen: Het dal van Hamon-Gog.

12

En zeven maanden lang zal het huis van Israël hen begraven, opdat zij het land reinigen.