Terug naar Ezechiël 40
VSV
Statenvertaling

Ezechiël 40:11

En hij mat de breedte van de ingang van de poort: tien el; en de lengte van de poort: dertien el.

Kruisverwijzingen

Context

Ezechiël 40 — omringende verzen

6

Toen ging hij naar de poort die naar het oosten ziet, en beklom de treden daarvan, en mat de drempel van de poort: één riet breed; en de andere drempel van de poort: één riet breed.

7

En elke kleine kamer was één riet lang en één riet breed; en tussen de kleine kamers was het vijf ellen; en de drempel van de poort bij de voorhal van de poort, aan de binnenkant, was één riet.

8

Ook mat hij de voorhal van de poort van binnen: één riet.

9

Vervolgens mat hij de voorhal van de poort: acht el; en haar posten: twee el; en de voorhal van de poort was aan de binnenkant.

10

En de wachtkamers van de poort aan de oostzijde waren drie aan deze kant en drie aan die kant; alle drie hadden zij dezelfde maat, en de posten hadden dezelfde maat aan deze en aan die kant.

11

En hij mat de breedte van de ingang van de poort: tien el; en de lengte van de poort: dertien el.

12

Ook was de ruimte voor de wachtkamers één el aan deze kant, en de ruimte was één el aan die kant; en de wachtkamers waren zes el aan deze kant en zes el aan die kant.

13

Toen mat hij de poort, van het dak van de ene wachtkamer tot het dak van de andere: de breedte was vijfentwintig el, deur tegenover deur.

14

Ook maakte hij posten van zestig el, tot aan de post van het voorhof rondom de poort.

15

En van de voorzijde van de poort bij de ingang tot de voorzijde van de voorhal van de binnenste poort was vijftig el.

16

En er waren nauwe vensters aan de wachtkamers en aan hun posten binnen in de poort rondom, en evenzo aan de bogen; en de vensters waren rondom naar binnen; en aan iedere post waren palmbomen.