Terug naar Ezechiël 43
VSV
Statenvertaling

Ezechiël 43:11

En indien zij zich schamen over alles wat zij gedaan hebben, toon hun dan de gedaante van het huis, en de indeling ervan, en de uitgangen ervan, en de ingangen ervan, en al zijn vormen, en al zijn inzettingen, en al zijn vormen, en al zijn wetten; en schrijf het op voor hun ogen, opdat zij de gehele gedaante ervan en al zijn inzettingen bewaren en die doen.

Kruisverwijzingen

Context

Ezechiël 43 — omringende verzen

6

En ik hoorde Hem tot mij spreken vanuit het huis; en de man stond naast mij.

7

En Hij zeide tot mij: Mensenkind, dit is de plaats van Mijn troon, en de plaats van de voetzolen van Mijn voeten, waar Ik wonen zal in het midden van de kinderen Israëls tot in eeuwigheid; en het huis Israëls zal Mijn heilige naam niet meer verontreinigen, noch zij, noch hun koningen, door hun hoererij, noch door de lijken van hun koningen in hun hoogten.

8

Doordat zij hun drempel bij Mijn drempel stelden, en hun post bij Mijn posten, en de muur tussen Mij en hen, hebben zij Mijn heilige naam verontreinigd door de gruwelen die zij begaan hebben; daarom heb Ik hen verteerd in Mijn toorn.

9

Laten zij nu hun hoererij en de lijken van hun koningen ver van Mij wegdoen, dan zal Ik in hun midden wonen tot in eeuwigheid.

10

Gij, mensenkind, toon het huis aan het huis Israëls, opdat zij zich schamen over hun ongerechtigheden; en laten zij het patroon opmeten.

11

En indien zij zich schamen over alles wat zij gedaan hebben, toon hun dan de gedaante van het huis, en de indeling ervan, en de uitgangen ervan, en de ingangen ervan, en al zijn vormen, en al zijn inzettingen, en al zijn vormen, en al zijn wetten; en schrijf het op voor hun ogen, opdat zij de gehele gedaante ervan en al zijn inzettingen bewaren en die doen.

12

Dit is de wet van het huis: op de top van de berg zal zijn gehele grondgebied rondom allerheiligst zijn. Zie, dit is de wet van het huis.

13

En dit zijn de maten van het altaar naar de ellen: de el is een el en een handbreedte; en de bodem zal een el zijn, en de breedte een el, en de rand ervan aan zijn kant rondom een span; en dit zal het verhoogde gedeelte van het altaar zijn.

14

En van de bodem op de grond tot aan de onderste richel zal het twee el zijn, en de breedte één el; en van de kleinere richel tot aan de grotere richel zal het vier el zijn, en de breedte één el.

15

Zo zal het altaar vier el hoog zijn; en van het altaar en opwaarts zullen er vier hoornen zijn.

16

En het altaar zal twaalf el lang zijn, twaalf el breed, vierkant aan zijn vier zijden.